Het ware geloof is geen zekerheid omtrent leerstellingen. Het ware geloof is een vertrouwen dat je in staat stelt te twijfelen zonder onzeker te zijn.
Net had ik mijn studenten gewaarschuwd dat het postmodernismedebat vaak zo polemisch gevoerd is dat de inhoudelijke argumenten volkomen zoek raakten, en toen bracht Trouw ons deze column van Sebastien Valkenberg. De perfecte illustratie van mijn claim.
In De Groene Amsterdammer van 15 september 2011 schrijft Christiaan Weijts het volgende:
Zoals het in goed geschreven literatuur ook niet storend is wanneer twee personages op elkáárs begrafenis zijn, en er een engelbewaarder commentaar geeft of de god Apollo leeft en spreekt. In slecht geschreven literatuur is zoiets dodelijk, daarom haat ik sciencefiction en fantasy.
Ach vrienden, laat ons toch een rigoureus onderscheid maken tussen persoonlijkheid en karakter! Karakter, dat is een verzameling eigenschappen: pragmatische categorieën die ons helpen toekomstig gedrag te voorspellen; herkenningstekens voor individuen. Het is het domein van, laten we zeggen, Voskuil en Beets. Van de psychologische roman.
Eén van de zaken waar Richard Rorty steeds op terug komt is het onderscheid tussen het publieke en het private. Volgens hem zijn er schrijvers die nuttig zijn om onze projecten van zelfverwezenlijking te stimuleren (Proust, Nietzsche, Heidegger, Derrida) en schrijvers die nuttig zijn om onze publieke projecten van sociale rechtvaardigheid te stimuleren (Orwell, Rawls). Je komt in de problemen wanneer je die twee met elkaar probeert te verbinden. De publieke zoektocht naar overeenstemming en de private zoektocht naar autonomie kunnen elkaar alleen maar in de weg lopen.
Rorty citeert Kundera's Art of the Novel als volgt:
Once upon a time I too thought that the future was the only competent judge of our works and actions. Later on I understood that chasing after the future is the worst conformism of all, a craven flattery of the mighty. For the future is always mightier than the present. It will pass judgment upon us, of course. But without any competence. (p. 20.)
Er is een tijd geweest dat ik onder de indruk was van het feit dat "you can't derive ought from is", dat wil zeggen, dat je uit niet-morele feiten nooit morele feiten kan afleiden. Natuurlijk, vaak zeggen we dingen als: "Het is levensgevaarlijk om in de tijgerkooi te stappen, dus dat moet je niet doen." Maar deze inferentie is formeel natuurlijk pas valide als we een extra premisse aan toevoegen: "wat levensgevaarlijk is moet je niet doen", en dat is op zich alweer een morele premisse. Je kan nooit van niet-morele premissen een geldige redenering hebben naar morele premissen. Diep!