Eén van de zaken waar Richard Rorty steeds op terug komt is het onderscheid tussen het publieke en het private. Volgens hem zijn er schrijvers die nuttig zijn om onze projecten van zelfverwezenlijking te stimuleren (Proust, Nietzsche, Heidegger, Derrida) en schrijvers die nuttig zijn om onze publieke projecten van sociale rechtvaardigheid te stimuleren (Orwell, Rawls). Je komt in de problemen wanneer je die twee met elkaar probeert te verbinden. De publieke zoektocht naar overeenstemming en de private zoektocht naar autonomie kunnen elkaar alleen maar in de weg lopen.
Rorty citeert Kundera's Art of the Novel als volgt:
Once upon a time I too thought that the future was the only competent judge of our works and actions. Later on I understood that chasing after the future is the worst conformism of all, a craven flattery of the mighty. For the future is always mightier than the present. It will pass judgment upon us, of course. But without any competence. (p. 20.)
Er is een tijd geweest dat ik onder de indruk was van het feit dat "you can't derive ought from is", dat wil zeggen, dat je uit niet-morele feiten nooit morele feiten kan afleiden. Natuurlijk, vaak zeggen we dingen als: "Het is levensgevaarlijk om in de tijgerkooi te stappen, dus dat moet je niet doen." Maar deze inferentie is formeel natuurlijk pas valide als we een extra premisse aan toevoegen: "wat levensgevaarlijk is moet je niet doen", en dat is op zich alweer een morele premisse. Je kan nooit van niet-morele premissen een geldige redenering hebben naar morele premissen. Diep!