Eigenlijk is alles wat er in de titel van dit artikel staat maar half waar. Het Gilgamesj-epos zoals wij dat vandaag de dag lezen is een specifieke versie, de 'standaardversie' die rond 1200 in elkaar is gezet, in het Akkadisch, door ene Sin-leqe-oennini, die daarbij gebruik maakte van verhalen die gedeeltelijk al rond 2000 verteld werden. Maar aangezien we alleen maar kapotte kleitabletten hebben, is die standaardversie aangevuld met allerlei andere fragmenten, sommige (veel) ouder, andere jonger, en in verschillende talen geschreven. Het epos is dus niet echt anoniem, maar ook weer wel; en het komt uit de 12e eeuw, maar ook weer niet. Ook goed om te weten: wat we hebben is dus niet alleen een tentatieve reconstructie, het is een reconstructie vol gaten. Hele passages missen. Gelukkig is het verhaal niet erg ingewikkeld en ondanks de lacunes vrij goed te volgen.
Gilgamesj is de koning van Oeroek. Hij heeft nogal veel energie, en dat vermoeit zijn onderdanen behoorlijk.
Zijn metgezellen moeten steeds klaar staan om zijn oproep te volgen.
Hij valt de mannen van Oeroek te pas en te onpas lastig.
Gilgamesj laat de zoon niet bij zijn vader.
Dag en nacht gaat hij onstuimig te keer.
Hij, de herder van Oeroek, machtig, kundig, waardig en wijs.
Gilgamesj laat het meisje niet bij haar moeder. (p. 47.)
Ook de goden zien wel in dat dat natuurlijk niet kan. Gilgamesj heeft een vriend nodig die net zo wild en energiek is als hij. Kennelijk is het niet gemakkelijk om zo'n man te vinden, want hij wordt apart geschapen in de wildernis. Deze Enkidoe leeft met de wilde beesten in harmonie en beschermt ze tegen de jager. Die is daar uiteraard niet blij mee, en de mensen bedenken een list om Enkidoe te civiliseren. Hoe die list heet? Zij heet Sjamchat.
"Dat is hem, Sjamchat, ontbloot je borsten,
doe je benen wijd, opdat hij je neme.
Aarzel niet, neem zijn ademstoten tot je.
Zodra hij je ziet, zal hij naar je toe komen.
Doe je kleed uit, zodat hij je kan dekken.
Doe met hem, de woesteling, het werk van een vrouw.
Het wild waarmee hij opgroeide in de steppe zal hem ontrouw worden,
terwijl zijn liefdesspel als een fluistering over je heen gaat." (p. 50)
Het is de gemeenschap met een vrouw die Enkidoe -- overigens een man met een uithoudingsvermogen dat zelfs in spam-mails niet beloofd wordt -- verandert. De beesten springen van hem weg zodra ze hem zien. Hij kan niet meer in harmonie met de natuur leven, en begeeft zich met haar naar de stad. Hierin zien wij natuurlijk een parallel met het verhaal van de zondeval, al is het hier nog niet gekoppeld aan een zondebegrip; zoals ook het verhaal van de vloed en de ark, dat in een van de latere boeken verteld zal worden, niet wordt gekoppeld aan de zondigheid van de mensheid maar eerder aan de gedachteloze agressie van de goden.
Enkidoe komt Gilgamesj tegen net als deze van plan is eens lekker gebruik te maken van het recht van de eerste nacht (iets dat voor zover bekend in de Europese middeleeuwen overigens nooit heeft bestaan, en door de Akkadiërs van 1200 voor Christus duidelijk al als bizar en slecht wordt gezien), en hij slaat hem eens fijn in elkaar. Ze worden al snel de beste vrienden, en besluiten hun krachten te meten met de demon Choembaba. Niet alleen vervelen ze zich, maar bovendien is dit een goede manier om hun heldenmoed te tonen. Wel worden ze om en om bang, maar ze weten elkaar steeds moed in te praten. Het gevecht met het monster is nogal een anticlimax: zoals vaak in oude epen wordt de tegenstander in bedwang gehouden door een god, en dan hoeft de held alleen nog maar toe te slaan.
Helaas loopt het al snel de soep in met Gilgamesj en Enkidoe. Gilgamesj krijgt namelijk een huwelijksaanzoek van de godin Isjtar, maar hij wijst haar erop dat zij al haar eerdere lovers hardhandig gedumpt heeft zodra ze genoeg van hen kreeg. Nee, zegt hij tegen haar in een briljante reeks beledigingen:
Je bent als een kachel die niet verwarmt in de kou,
een onaffe deur waar de wind en de tocht doorheen blazen,
een paleis waar de held zijn ondergang vindt,
een olifant die zijn dekkleed afwerpt,
[...] een waterzak die water morst op zijn drager, [...]
schoeisel dat knelt. (p. 83.)
Isjtar, woedend, stuurt de hemelstier op Gilgamesj af, maar de twee vrienden verslaan het monster. (Overigens mag Isjtar de hemelstier, die de hele rivier leegdrinkt, pas gebruiken als ze de andere goden heeft verzekerd dat het volk genoeg eten heeft om de droogte die zal volgen te overleven.) Dat kan echter niet ongestraft blijven. De goden besluiten om Enkidoe te doden door een ziekte; Gilgamesj mag blijven leven.
Het verhaal gaat in veel detail in op de stemmingswisselingen van Enkidoe tijdens zijn ziekte. Hij vervloekt iedereen die hij kent ("laat de dronkaard met zijn braaksel je feestkleed besmeuren"), bedenkt zich dan, en roept zegeningen af ("voor jou zal de eerst-gekozen vrouw, die zeven maal moeder is, worden verstoten"). Uiteindelijk sterft hij. Gilgamesj wordt half gek van verdriet. Hij probeert zijn vriend door hard te roepen weer tot leven te wekken; hij laat het lijk pas begraven als de wormen uit de neus komen kruipen. Maar bovenal wordt hij bezeten van de angst om zelf ook te sterven. En zo komen we bij de tweede grote tocht die Gilgamesj onderneemt, maar ditmaal alleen: hij gaat op zoek naar het eeuwige leven.
Er zijn twee mensen op aarde die eeuwig leven, weet Gilgamesj: Oetnapisjtim en zijn vrouw, die ooit de vloed overleefden waardoor alle andere mensen stierven. Dus gaat Gilgamesj naar hem toe. De tocht voert over eindeloze steppes, door een lange donkere tunnel (die de dichter op interessante wijze als lang laat aanvoelen!), totdat hij uiteindelijk, en vreemd genoeg, bij een herbergierster aankomt. Deze probeert hem zijn onzinnige idee uit zijn hoofd te praten:
Het leven dat je zoekt, zul je zeker niet vinden. [...]
Dus, Gilgamesj, eet je dik!
Maak pret, vier dagelijks feest!
Ga dag en nacht dansen, maak muziek!
Laten je kleren schoon zijn en je hoofd gewassen, baad jezelf in water!
Zie het kleintje dat je hand vasthoudt,
laat je vrouw zich verheugen op je mannelijk vuur!
Dat is wat een mens moet doen! (p. 106.)
Maar Gilgamesj is niet van zijn plan af te brengen. Ondanks domme en gewelddadige acties weet hij Oetnapisjtim te bereiken. Deze vertelt hem dat hij en zijn vrouw enkel onsterfelijk zijn gemaakt omdat anders het decreet van de goden dat alle mensen in een vloed moesten sterven niet uitgevoerd zou zijn. Door een sluwe en de mensen goedgezinde god hadden zij twee namelijk op tijd een boot gebouwd en de vloed overleefd; dus, besloten de goden, moesten zij ook maar goden worden, opdat toch alle mensen gestorven waren. Dit vloedverhaal is, voor zover wij weten, de inspiratie voor dat in Genesis; of minstens hebben ze een gezamenlijke voorouder. Sommige details, zoals de vogel die wordt uitgestuurd om te zien of er al land is, zijn vrijwel letterlijk hetzelfde. Maar in het Gilgamesj-epos komt de vloed niet echt als straf, maar meer als een onbezonnen beslissing van de goden, die er later ook grote spijt van hebben. Waar zou het Joodse volk de neiging vandaan hebben gehaald om alles moreel te interpreteren, als dat kennelijk helemaal niet standaard was?
Gilgamesj wil ook eeuwig leven, maar Oetnapisjtim wijst hem erop dat hij niet eens zeven dagen wakker kan blijven. Gilgamesj probeert het, maar uitgeput valt hij zelfs zeven dagen lang in slaap. Wanhopig roept hij, wakker geworden:
"Wat moet ik doen, Oetnapisjtim?
Waar moet ik heen?
De Grijpduivel heeft me te pakken.
De dood zit in mijn slaapkamer.
Overal waar ik mijn voet zet, is ook de dood!" (p. 121.)
Welnu, Oetnapisjtim heeft nog wel een list op voorraad: er is een kruid dat mensen hun jeugd teruggeeft. Gilgamesj gaat dit halen, is er zeer verrukt mee, en gaat terug naar Oeroek. Halverwege wordt het kruid echter opgegeten door een toevallig passerende slang, die daarna zijn huid laat vallen. Uiterst bedroefd keer Gilgamesj terug naar zijn stad -- en hij lijkt op het einde toch te proberen enige troost te vinden in het feit dat die in ieder geval stevig is en heel lang zal bestaan. (Er is nog een twaalfde tablet dat op zich interessant is, maar niet veel met het verhaal te maken heeft.)
Een mooi verhaal, dat nogmaals bevestigt hoezeer sterfelijkheid de oude literatuur bezig houdt. Gilgamesj neemt duidelijk niet genoegen met de onsterfelijkheid van zijn naam; hij wil gewoon eeuwig leven. Maar zelfs voor de grootsten onder ons is dat nu eenmaal niet de menselijke conditie.
Bibliografie: