De verhalen van Belcampo is een uiterst vermakelijke verzameling korte, fantastische verhalen van Belcampo, dat wil zeggen, van Herman Pieter Schönfeld Wichers (1902-1990). Als ik het gemeenschappelijke van de verhalen moet aanduiden, dan zou ik het volgende proberen: Belcampo speelt een moeiteloos spel met de wereld. Elke inval wordt in het verhaal gepast, elke zinswending die in hem opkomt kan bruikbaar en betekenisvol gemaakt worden. De realiteit wordt niet geschuwd, maar wordt met schijnbaar het grootste gemak naar de hand van de fantast gezet. De verhalen gaan zelden zoals je verwacht, en toch voelen de meeste niet willekeurig aan.
De Driesprong handelt over koning Wurm, die slechte dromen heeft een daarom het dromen in zijn land verbiedt. Dat is natuurlijk geen succes, en hij wordt door een woedende volksmenigte zonder pardon onthoofd--maar gelukkig weet een briljante dokter zijn leven te redden door het hoofd aan een machine te koppelen, die na wat kleine aanpassingen ook weer tot zinsgenot kan leiden. Tenzij de hofkat erop springt, uiteraard. Het (in ieder geval op het eerste gezicht) meest onsamenhangende verhaal is De Verstekeling, over een luie sultan, een slaaf met een gouden adem, en de dochter van de sultan. Er zijn een paar korte scenes en opmerkingen, en dan stopt het--maar wellicht dat we, met behulp van de titel, er zelf een verhaal uit kunnen construeren?
Sommige van de verhalen gaan wel een beetje de flauwe kant op. Waar De Verwarring nog wel aardig is als satire op algemene rouw, is Genesis een soort grap die we vaker gehoord hebben. Maar over het algemeen heeft elk verhaal iets dat het interessant maakt--zo is Het Plan Kruutntoone een satire op het commercieel exploiteren van volksgebruiken, die hier trouwens speciaal voor dit doel uit de duim worden gezogen; het eindigt in een nogal scabreuze vertoning waar René Girard wel pap van zou lusten. Het Woeste Paard is een gedicht dat ons een orgie van geweld en vuiligheid voorschotelt, totdat het getemd wordt door de romantische, vleselijke liefde. Van dat laatste houdt Belcampo sowieso nogal--het wordt ook bezongen in het science fiction verhaal Voorland, en in Liefde's zegepraal II, waarin een gestoorde graaf alle vrijende paren die in de buurt van zijn kasteel komen doodschiet en op sterk water bewaart. Daar zie je een tweede obsessie van Belcampo langskomen: het menselijk lichaam. Als het zich niet bezig houdt met seks of vernietigd wordt ("het vet in hare billen smolt meteen en spoot in twee stralen, net als bij een walvisch, hoog de lucht in", p. 94), wordt het wel opgegeten (Bladzijde uit het Dagboek van een Arts) of tot object van tentoonstelling gemaakt (Liefde's Zegepraal I).
Maar nogmaals, al waren het alleen de vindingen... wat te denken van het volgende, in Gnirekezref egagab. Een man heeft een bedrijf dat walvistraan produceert. Hoe? Door walvissen te martelen en hun tranen op te vangen, natuurlijk; en het succes van zijn bedrijf zit hem er vooral in dat hij zulke geweldige fysieke en psychische martelingen voor de walvissen kan bedenken. Zijn kinderen kunnen dat ook, zij zijn zo wreed als hun vader; alleen zijn jongste dochter heeft een goed hart. Deze geeft de walvissen in het geheim knuffels en een koekje, waardoor ze natuurlijk alleen nog maar meer tranen produceren, zij het ditmaal uit geluk. Dus wil de hoofdpersoon weten hoe zijn dochter dit doet, en uiteindelijk komt hij erachter door haar te bespieden. Waarna de volgende briljante passage volgt:
Zoo ontdekte hij hoe eenvoudig het kunstje was en de nieuwe methode moest dadelijk op groote schaal worden toegepast. Hij propte de dieren met koekjes vol en in allerijl werden streelmachines vervaardigd. De eerste week was het gevolg overweldigend, maar aan het eind van de tweede week werd er uit geen enkele walvisch meer een druppel getapt. Gnirekezref ging aan het prakkezeeren en aan 't probeeren en eindigde met het te vinden. Veertien dagen martelen, één dag de streelmachines, veertien dagen martelen, één dag de streelmachines.
Wat bloeide de zaak en wat droeg zij vruchten! (p. 50-51.)
Wat valt daar nog aan toe te voegen? Als beeld, als verhaalwending, als metafoor is dit lastig te verbeteren. Veertien dagen martelen, één dag de streelmachines. Vergeet het niet.