Hoofdstuk 3: Self-positing Spirit (vervolg)
5 (pp. 100-102)
Wat is nu precies Hegels idee van een zelf-stellende God? Het is in ieder geval niet het theïstische idee van een God die los staat van de wereld; immers, voor hem valt God samen met de wereld. Zonder de wereld zou God God niet zijn. Het is ook niet het naturalistische idee waarin van creatie geen sprake meer is, en de wereld geen doel heeft. Hegel verenigt deze twee ideeën tot een visie waarin God eeuwig de condities voor zijn eigen bestaan maakt. De God van Hegel, zegt Taylor, is een Münchhausen-God (die zichzelf uit het moeras trekt), maar het is niet helder of dat wel of niet ondenkbaar is.
Twee andere mogelijke noemers zijn "pantheïsme" en "panentheïsme". Volgens Hegel verschilt hij van de pantheïsten omdat die alles wat eindig is maar God noemen, terwijl hijzelf inziet dat het goddelijke de rationele noodzakelijkheid is die het eindige stelt. (Taylor wijst erop dat Hegel een nogal specifiek idee van pantheïsme heeft.) En Hegel is geen panentheïst als Plotinus omdat voor Plotinus het eindige niet essentieel is voor God, terwijl voor Hegel het eindige een noodzakelijke voorwaarde is voor het bestaan van het oneindige.
6 (pp. 103-109)
Hoe helpt ons dit om de claim te begrijpen dat de identiteit van identiteit en niet-identiteit een universeel principe is dat we overal terugzien? Het absolute subject, God, bevindt zich in dezelfde situatie van verdeeldheid als elk eindig subject: om te bestaan moet het zich verwerkelijken in eindige en in eerste instantie onwetende wezen, en toch is zijn doel om tot zelfkennis en oneindigheid te komen. En dus geldt het hele verhaal dat we over de eindige geest hebben gezegd--inclusief alle stadia waar deze doorheen moet--ook voor de absolute Geest. Sterker nog, het is het hetzelfde verhaal verteld vanuit een ander perspectief. Maar deze Geest ligt aan de basis van alles. En dus speelt het kosmische drama van identiteit en niet-identiteit en de drang naar verzoening overal. Alles is gemedieerd (dat wil zeggen, bestaat alleen door iets anders), in het hart van alles is een contradictie, contradictie is de bron van alle leven en beweging.
Maar hoe kan het dan dat dingen toch blijven bestaan? Toch in ieder geval als soort? Contradictie is niet werkelijk incompatibel met bestaan. Je moet het ongeveer als volgt zien:
The force of using 'contradiction' here is that what is necessary for Geist to be at all is an obstacle to its realization as fully self-conscious rationality. ... [N]othing can exist except in struggle, except by developing itself out of its opposite. (p. 106.)
Het is belangrijk dat we inzien dat omdat de wereld een expressie is van de Geest, elk bestaan als een soort claim gezien kan worden. Hierdoor wordt het logische begrip 'contradictie' ook een ontologisch begrip, en kan het het principe van beweging, verandering, en de noodzakelijke dood van elk eindig wezen zijn. De contradictie is voor ons allen de dood, maar tegelijk is het het leven van het geheel, datgene waardoor het bestaat en vooruit komt.
Het Idee wordt Wereld, om uiteindelijk op te klimmen tot Geest.
7 (pp. 109-116)
Dit is wat Hegel absoluut idealisme noemt. Maar het grappige is dat Hegels idealisme niet, zoals andere vormen van idealisme, de materiële wereld ontkent; sterker nog, het claimt dat de materiële wereld noodzakelijk bestaat. Het gaat hier dan ook meer om Platoonse dan om een Cartesische ideeën.
Vanaf nu gaat Taylor vooral wat belangrijke termen van Hegel langs om te laten zien waar ze in het systeem passen. De eerste is negativiteit. Dit is ongeveer hetzelfde als oppositie en contradictie, en is de term die Hegel gebruikt om de these dat alles wat bestaat contradictoir en dus sterfelijk is en de these dat alle concepten negatie in zich herbergen met elkaar te verbinden.
Met begrip (concept) bedoelt Hegel een aantal verschillende, maar aan elkaar gelijkende dingen. Een concept is zowel een term die we gebruiken om iets te beschrijven, als het principe dat er voor zorgt dat hetgeen zo beschreven wordt noodzakelijk bestaat--wat dan weer als subjectiviteit en het zelf-stellende concept begrepen kan worden. Daarnaast gebruikt hij de term op de potentialiteit (tegenover de werkelijkheid) van een wezen uit te drukken, en dit zowel voor de potentialiteit als "zaadje" dat nog moet groeien, als ook voor de potentialiteit als datgene wat het einddoel is.
Dan hebben we an sich, für sich en anundfürsich. Dit betekent min of meer "impliciet (nog niet tot externe werkelijkheid geworden)", "expliciet (tot externe werkelijkheid geworden)" en "bij zichzelf teruggekeerd (via exterioriteit ontwikkeld tot zelf-bewustzijn)". Maar an sich kan ook tegenover für anderes staan, en dan betekent het zoiets als "niet van iets anders afhankelijk".
Gerelateerd aan de dynamiek tussen an sich, für sich en anundfürsich is die tussen abstract, particulier en concreet universeel, maar wat precies het verschil is is met niet helemaal duidelijk uit Taylors verhaal. Dat zal wel komen wanneer deze termen echt gebruikt gaan worden.
Eén van de belangrijkste begrippen is die van de oneindigheid. Voor Hegel is het oneindige het onbegrensde, en dat betekent datgene wat niet gelimiteerd wordt door iets wat er buiten is. De klassieke God is niet oneindig, want hij staat buiten de wereld en wordt dus door die wereld begrensd. Wat ook niet oneindig is eindeloze progressie--iets wat Hegel als "slechte oneindigheid" wegzet. Want hier heb je steeds slechts een eindigheid die gelimiteerd wordt door de volgende stap. Voor Hegel is het juiste beeld voor het oneindige niet een geometrische lijn, maar een cirkel. Het eindige vormt de oneindigheid; zonder de eindige lijn die bij zichzelf terugkeer was er geen oneindige cirkel.
The finite as a whole is thus one with the infinite; and the infinite finds its only expression in the ordered whole of the finite. (p. 115.)
Om dit alles te kunnen denken heb je nodig wat Hegel Vernunft noemt--een rigoureus denken dat de identiteit van identiteit en niet-identiteit kan vatten. Er bestaat ook zoiets als Verstand, een vorm van denken die vast houdt aan het principe van identiteit; historisch belangrijk, maar iets dat nu het echte begrip in de weg staat. Wie nog vast zit in Verstand kan Hegels denken alleen zien als nonsens.
8 (pp. 116-122)
Taylor vat nu nog een keer de hoofdlijnen van het systeem samen, en laat zien wat deze bijvoorbeeld beteken voor de relatie tussen individu en staat. (Hij vrije individu kan alleen vrij zijn binnen een staat.) Ook wijst hij er nogmaals op dat de dood een noodzakelijk onderdeel van de wereld is, en dat Hegel zijn systeem dus als een theodicee kan begrijpen. Daarbij merkt Taylor op dat Hegel niet gelooft in individueel voortleven na de dood--en dat ook niet kan, aangezien hij denken en materialiteit niet los van elkaar wil en kan zien. Verder zal ik deze samenvattende paragraaf niet samenvatten.
9 (pp. 122-124)
De waarheid van de systeem van Hegel moet gedemonstreerd worden, dat wil zeggen, Hegel moet ons vanuit onze huidige overtuigen meevoeren naar zijn eigen visie op de dingen. Er zijn drie paden die daarin bewandeld kunnen worden. Ten eerste kan Hegel vanuit de materie opklimmen tot steeds hogere vormen van zijn, zodat we uiteindelijk bij de Geest uitkomen. Dit zal hij doen in zijn natuurfilosofie en zijn werken over recht, kunst, religie en filosofie. Ten tweede kan hij de keten volgen niet van manieren om te zijn, maar van begrippen--vanuit Zijn, het leegste begrip, tot aan de Idee zelf. Dit is wat hij in de Logik gaat doen. En ten derde kan Hegel de trap van het bewustzijn bewandelen, vanuit onze meest basale ideeën daarover tot aan de zelf-kennis van de absolute Geest. Dit, eigenlijk het minst voor de hand liggende, doet hij in de Phänomenologie des Geistes, wat volgens Taylor zijn interessantste boek is.
In de rest van het werk zal Taylor al deze trappen opgaan, te beginnen bij de derde en te eindigen bij de eerste. Maar ik zit er over te denken om eerste de Phänomenologie te lezen voordat ik Taylors stuk erover lees. Hm... lastige keuzes.