Charles Taylor, "Hegel", pp. 29-50

Hoofdstuk 1: Aims of a New Epoch (vervolg)

3 (pp. 29-36)

Een andere reactie tegen de objectificatie van de Verlichting was op het morele vlak. Voor de Verlichting kan het menselijk handelen causaal verklaard worden; maar voor hen die geloofden in radicale vrijheid was dit een onmogelijk standpunt. De mens moest ook tegen alle causale inclinaties in voor het goede kunnen kiezen. De grote figuur in dit verband is Immanuel Kant, voor wie het veilig stellen van het radicaal vrije morele subject een belangrijk doel was.

De geniale stap van Kant was om voorbij het empirisme van Hume te komen door transcendentale vragen te stellen--hoe moeten wij wel zijn opdat we de ervaring kunnen hebben die we hebben? Zo kunnen we meer over onszelf te weten komen dan alleen wat empirisch gegeven is. Kant laat zien dat het subject van ervaring een eenheid moet zijn, en dat het noodzakelijke connecties moet stellen. Maar die noodzakelijkheid ligt natuurlijk alleen in de fenomenale wereld: het zou raar zijn te denken dat de dingen zoals ze zelf zijn bepaald worden door het subject. Er is dus een scheiding tussen wat we ervaren en wat er echt is, een scheiding die de opvolgers van Kant niet konden tolereren. Voor Kant echter was hier geen probleem, want dit alles was genoeg om de radicale vrijheid van het individu te gronden, die erin bestond dat de mens de morele wet in zichzelf vindt, en niet van buitenaf krijgt opgelegd--en daar ging het hem om.

Nu is voor Kant het morele leven een eeuwige worsteling, waarbij de rede zich steeds weer moet bewijzen tegenover de inclinaties. En als er ooit een vrede tussen rede en inclinaties zou zijn, zou dat dan met het contrast tussen die twee niet ook de morele vrijheid vernietigen? Dit is één van de problemen die Hegel in Kant zou zien.

Kants radicale visie van vrijheid was voor de Romantici zeer aantrekkelijk. Maar het gaat uit van een scheiding tussen mijn zelf en de wereld, zelfs in zoverre dat ik me moet onttrekken aan de causale invloeden van die wereld (voor zover het om beslissingen gaat). Dit is precies het soort dichotomie waar de Romantici niet op zaten te wachten. Het belangrijke project was dus om Kant te verbeteren en radicale vrijheid te combineren met integrale expressie; een project dat ook werd gezien als het verbinden van het beste van de Grieken (die nog één waren met de natuur en elkaar) en de modernen. De modernen hadden de eenheid van de Grieken verloren, maar dit was niet alleen een verlies, aangezien de mens gespleten moest zijn om verder te kunnen groeien. Terug naar de Grieken kan niet; maar waar we wel op kunnen hopen is dat we een hogere synthese bereiken, waarin we de Griekse eenheid verbinden met de radicale vrijheid die in de loop van de geschiedenis is ontwikkeld.

Vier opposities moesten hiervoor overwonnen worden: die van rede tegenover verlangen, die van vrijheid tegenover gemeenschap, die van zelfbewustzijn tegenover communie met de natuur, en die van het eindige subject tegenover het oneindige leven waarvan hij deel uitmaakt.

4 (pp. 36-50)

Hoe deze unificatie teweeg te brengen? Eén hoop was dat dit kon door een radicaal idealisme. Het Ding-an-sich moet verworpen worden, en in plaats daarvan moet alles begrepen worden als (gevolg van) subjectiviteit. Fichte bijvoorbeeld maakt het Kantiaanse subject omnipotent: het vormt de wereld niet alleen, maar stelt die. En moet die stellen, om subject te kunnen zijn. Maar daar is meteen het probleem: in Fichtes systeem is de eenwording van subject en wereld niet mogelijk, omdat daarin het subject zou ophouden subject te zijn.

Schiller ziet drie drijfveren in de mens: een sinnlicher Trieb, een Formtrieb, en een Spieltrieb. De eerste twee kan je vergelijken met de Kantiaanse Anschauung en Begriff. De speeldrijfveer, daarentegen, is wat vorm en inhoud zonder oppositie samenvoegt in de schoonheid--schoon is immers precies dat waar vorm en inhoud elkaar bepalen. De mens verkrijgt zijn eenheid in de esthetische dimensie. En in die esthetische dimensie is het dualisme overwonnen, en is geen strijd meer nodig. Klinkt goed, vanuit de Romantische visie; er is slechts één probleem. Schiller heeft geen ontologische fundering voor zijn verhaal.

De enige manier waarop eenheid met de natuur mogelijk is, is als de natuur uiteindelijk dezelfde aard heeft als de mens. De naturalisten bereiken dit door de mens zijn spirituele dimensie af te pakken, maar voor de Romantici moet aan de natuur juist een spirituele dimensie toegedicht worden. De natuur zelf moet spiritueel zijn en naar spirituele doelen op weg zijn, het moet een spiritueel principe zijn dat probeert zichzelf te realiseren, een kosmisch subject.

De jonge Hegel beargumenteert dat het probleem van Fichte precies is dat hij geen kosmisch subject heeft geponeerd, maar de wereld wil zien als iets dat het subject schept om tegen de strijden--wat leidt tot het al genoemde probleem dat de strijd niet kan ophouden zonder daarmee het subject te vernietigen. Fichte moet dus gecombineerd worden met Spinoza, die men las als een voorstander van een kosmisch subject (maar die dan weer geen oog had gehad voor de vrijheid van het individu). Dit was iets wat Schelling probeerde. Voor Schelling is de natuur een onbewuste subjectiviteit die tot bewustzijn probeert te komen, terwijl het bewuste subject probeert om communie te krijgen met het onbewuste. Deze hogere eenheid wordt bereikt in de kunst. In zekere zin is dit Schiller met een ontologische fundering: de samenbindende kracht van kunst wordt ontologisch gefundeerd doordat de dingen die moeten worden samengebonden allebei aspecten van de subjectiviteit zijn.

Hegel echter is geen Romanticus. Het verschil kunnen we verduidelijken aan de hand van de volgende gedachtegang. Wat is de relatie tussen de kosmische geest en de eindige subjecten? Een mogelijkheid is dat de mens op zijn hoogste punt identiek is aan de kosmische geest; maar dan moet dit hoogste punt iets onbereikbaars zijn. Een andere mogelijkheid is pantheïsme, waarbij de kosmische geest identiek is aan de wereld. Maar dan moeten we voorkomen dat communie met de kosmische geest simpelweg onderwerping is aan iets dat veel groter is dan wij. Dit kan alleen door te claimen dat het menselijk bewustzijn de perfecte van de kosmische geest is, dat de kosmische geest streeft naar zelfkennis en dit bereikt in de mens. (Taylor wijst er in een voetnoot op pagina 45 trouwens op dat Goethe veel minder dan de Romantici en Hegel de neiging voelde om een speciale plek voor de mens in de natuur op te eisen. Hij kon accepteren dat wij een klein stukje van een groot geheel zijn.)

Om zo'n claim te verdedigen moeten we twee dingen doen. (1) Laten zien dat het idee van de natuur als eerste poging van de geest om tot zichzelf te komen ook daadwerkelijk tot goede verklaringen leidt van hoe de natuur is. (2) Laten zien hoe de mens het vehikel van de Geest kan zijn zonder zijn rationele autonomie te verliezen. Met name met dit tweede ging het bij de Romantici mis. Want hun beeld van de grote levensstroom van de natuur maakt het eigenlijk onbegrijpelijk hoe we daar rationeel inzicht in zouden kunnen krijgen; zoals hun idee van het subject als eindeloos creatief het onmogelijk maakt om te denken dat we ooit tot ware zelfkennis kunnen komen. En als de synthese die we moeten vinden in de kunst ligt, dan kan er inderdaad geen sprake zijn van rationele autonomie, want kunst is nu juist nooit geheel rationeel. Uiteindelijk laten de Romantici het idee van rationaliteit dan ook varen, en trekken ze zich terug in geloof of kunst.

Maar niet Hegel. De essentiële gedachte van Hegel, waarmee hij zich van zijn hele generatie onderscheidt, is dat rationaliteit noodzakelijk is voor de synthese van mens en wereld. Deze gedachte voerde Hegel radicaal door. Om te voorkomen dat hij een visie kreeg waarin de mens op een gegeven moment een statisch eindpunt bereikt (wat nauwelijks vrijheid kan zijn), komt hij met een nieuw begrip van oneindigheid dat het eindige in zich sluit. En omdat analyse noodzakelijk is voor rationaliteit, maar tegelijkertijd "doodt" en vervalst, komt Hegel met een conceptie waarin deling en heelheid samen worden gevoegd--de identiteit van de identiteit en de niet-identiteit. Taylor noemt dit een "mind-blowing" idee, dat geen andere denker uit zijn generatie had.

Daarom, omdat hij het meest radicaal probeerde om de grote problemen van het Romantische gedachtengoed serieus te nemen en op te lossen, is Hegel de denker die we moeten bestuderen als we willen weten in hoeverre de doelen van die generatie geslaagd zijn. Zijn denken was

the first great synthesis which was meant to resolve our central dilemma; which failed but which remains somehow unsurpassed. (p. 50.)