Charles Taylor, "Hegel", pp. 3-29

Hoofdstuk 1: Aims of a New Epoch

Hegel behoorde tot de "Romantische" generatie, al was hij een criticus van de Romantici, en dat betekent dat hij gepreoccupeerd werd door een bepaalde ideeën die hij met zijn tijdgenoten deelde. Daar gaat Taylor in dit eerste hoofdstuk naar kijken. De belangrijkste gebeurtenis van deze tijd was de Franse Revolutie, die in de generatie van Hegel tot enthousiasme en vervolgens tot verbaasde afschuw leidde; hiermee in het reine te komen was een belangrijke opgave voor deze generatie. Het belangrijkste theoretische probleem van de tijd was de aard van het subject en de relatie tussen subject en wereld--een probleem dat eruit bestond dat twee schijnbaar incompatibele ideeën over de mens samengevoegd moeten worden.

1 (pp. 3-11)

Deze ideeën waren een reactie op de Verlichting. Vóór de Verlichting meende men dat de wereld een betekenisvolle ordening is, de belichaming van een rationeel plan; en dat er dus teleologische oorzaken zijn, omdat alles in het Universum zich zo ontwikkelt dat het aan de ordening, aan het plan, voldoet. In de Verlichting wordt dit gezien als antropomorfisme, en wordt er een materieel, mechanisch wereldbeeld voor in de plaats gezet. Is de revolte van Hegel en kompanen tegen deze mechanisering dan slechts een nostalgische stap terug? Nee, zegt Taylor, dan zou je het totaal verkeerd begrijpen. Om dat in te zien moeten we kijken naar veranderende ideeën over het subject, het zelf.

Het moderne zelf definieert zichzelf, terwijl het pre-moderne zelf gedefinieerd wordt door haar relatie met een kosmische ordening. Voor de pre-modernen is een mens het meest zichzelf wanneer hij in contact is met die ordening, door middel van de Rede; het zelf is pure visie van iets, waar dat iets illusie of de ware orde kan zijn. Het gaat er natuurlijk om te zorgen dat je zelf visie van de ware orde wordt; rationaliteit en die visie zijn identiek. Maar de modernen dumpen het idee van een betekenisvolle ordening, en transformeren daarmee de notie van het zelf. Het moderne zelf (van Descartes bijvoorbeeld) is zich bewust van wat het en wat het doet helemaal los van de wereld; het is een autonoom, atomistisch subject.

Nu hadden de Stoïcijnen en de Epicuristen al een dergelijke conceptie van het zelf, maar wat de modernen hieraan toevoegden was dat deze conceptie niet voortkwam uit scepticisme over de orde van de wereld, maar uit een gevoel van controle over de wereld--eerst intellectueel, later technologisch. Controle, succesvolle manipulatie, was belangrijk voor de zeventiende en achttiende eeuw vooral omdat het bewees dat de wereld niet een plaats vol betekenissen, maar een netwerk van contingente correlaties was. (Technologie als iets met groot praktisch nut kwam pas later.) En deze onttoverde wereld paste perfect bij het subject dat zichzelf definieert, dat een in de traditie ongekende vrijheid heeft. (Wat deze notie van het zelf hielp Europa overnemen was het Calvinisme. Doordat de Calvinisten zich keerden tegen het idee van het heilige, plaatsen en momenten die meer van God vervuld waren dan andere, hielpen ze de wereld onttoveren.)

Taylor introduceert de term "geobjectificeerd" om deze onttoverde wereld aan te duiden: het is de claim dat de wereld geen inherente betekenis heeft, dat, en dit is cruciaal, betekenis alleen aan de gedachten en acties van subjecten toekomt. Deze geobjectificeerde wereld was mechanistisch, atomistisch, homogeen en contingent. Maar niet alleen deze wereld: ook de mens, voor zover hij het object van kennis was. Aan de ene kant was de mens een zelf-definiërend subject, aan de andere kant een mechanisch object. Hier zit natuurlijk een spanning in.

2 (pp. 11-29)

Tegen deze antropologie gaan twee stromen in het Duitse denken in, die Hegel later probeerde samen te brengen. Eerst wat meer over Duitsland. De Verlichting was in Duitsland nooit zo heel sterk, gedeeltelijk omdat Duitsland cultureel achter lag, en gedeeltelijk vanwege de religieuze achtergrond. Met name het Piëtisme was hier een belangrijke factor: voor deze stroming ging het om de innerlijke, gevoelde connectie met God. Aan de ene kant pleitte het Piëtisme samen met de Verlichting voor het individu, en tegen de grote instituten waaraan deze zich zou moeten onderwerpen. Aan de andere kant had het Piëtisme niets op met de aanname die de Franse Verlichting met de traditionele religie deelde, namelijk dat het gaat om het geloven van de juiste proposities. Vanaf het begin keerde de Duitse Verlichting zich al tegen "boekenwijsheid". Verder onderscheidt de Duitse Verlichting zich hierin van de Franse dat ze eerder het deïsme omarmde dan het materialisme. In Leibniz en Wolff hebben we een kosmische orde, maar een kosmische orde die gebouwd is uit individuen die uit zichzelf ontwikkelen: een samenvoeging van pre-moderne en moderne ideeën die het zaad bevat voor verschillende post-Verlichting ideeën.

In ieder geval onwikkelt zich in Duitsland een denkklimaat dat de Verlichting wil overwinnen, maar er toch veel van wil behouden. Een eerste stroming hierin zien we in de jaren 1770, tijdens de Sturm und Drang, het helderst bij Herder. Herder reageert tegen de objectificatie van de wereld, en de splitsingen in de menselijke geest, met een antropologie gebaseerd op het idee van expressie. Wat houdt dat in?

De Verlichting kent termen als "betekenis" en "expressie" alleen aan het mentale leven van subjecten toe. In de wereld is dit nergens te vinden, en dan hebben we het dus ook over de mens als object. Herder wil de expressie in het centrum van de antropologie plaatsen; maar dat betekent niet dat hij terug wil naar een pre-moderne conceptie. Want hoewel hij expressies ziet als het realiseren van een doel, als teleologisch, ziet hij ze tegelijkertijd als de realisatie van een uniek zelf, en dit is typisch modern. Het volle leven is niet alleen expressie, maar expressie van de eigen, uit zichzelf voortgebrachte, individualiteit. Iedereen is uniek--dat is de extreem invloedrijke claim van Herder.

Expressivisme houdt in ieder geval de volgende twee ideeën in. Ten eerste, dat expressie gepaard gaat met een innerlijke kracht die zich aan de buitenwereld moet opleggen. (Dit is typisch niet Aristoteliaans. Taylor wijst er verder nog op dat Spinoza, bizar genoeg, in lijn hiermee werd geïnterpreteerd.) Ten tweede dat pas de expressie helder en welbepaald maakt wat de vorm is die tot expressie komt. Voor Herder is mijn menselijkheid iets unieks, dat alleen getoond kan worden door tot expressie te komen in mijn leven. Dat mensen verschillend waren wist iedereen al; nieuw is het idee dat ons doel is om die unieke vorm tot expressie te brengen. Als dat lukt wordt mijn zijn tot belichaming van de idee die in mij ligt. Er is voor Herder dus geen kloof tussen zijn en betekenis.

Om zoiets vol te houden moet Herder met een theorie van taal en betekenis komen die heel anders is dan die van de Verlichting. Het zal een theorie worden die betekenis koppelt aan expressie, en expressie aan kunst--terwijl kunst daarvoor vooral als mimesis gezien was. (Taylor ziet hier een verschuiving van logos naar poesis.) In zijn essay over de oorsprong van de taal stelt Herder dat de grote vraag is hoe er tekenen kunnen bestaan, hoe we van een dierlijk bewustzijn kunnen komen naar een menselijk, dat wil zeggen, door taal gemedieerd bewustzijn. Taal is essentieel voor het denken--dit is één van de meest invloedrijke ideeën van Herder. En omdat taal bedoeld is voor expressie, en kunst ook, is er een continuïteit met kunst.

De nadruk op kunst heeft te maken met een nieuw belang dat een het gevoel wordt gehecht. Je bewust worden van jezelf is niet alleen je unieke vorm zien, maar deze ook voelen. En dit gevoel is innig verbonden met het denken. Ware expressie, het hoogste gebruik van taal en kunst, de hoogste kennis, komt voort uit gevoel en kan zonder gevoel niet leven.

Terug naar de manieren waarom de Romantiek zich afzet tegen de Verlichting. De Romantici kunnen niet accepteren dat de wereld uiteen wordt gereten in een betekenisvol subject en betekenisloze objecten. Hier tegenin wilde de Romantiek vier dingen:

  1. Eenheid en heelheid. De Romantiek zet zich af tegen alle distincties die de wereld willen opdelen, niet alleen als theoretische fouten, maar als verminkingen die het ons onmogelijk maken onszelf echt tot expressie te brengen. We zullen dit, zegt Taylor, zeer duidelijk terugzien bij Hegel: het verwerpen van een scheiding tussen materie en spiritualiteit is één van zijn basisprincipes.
  2. Vrijheid, niet begrepen als onafhankelijkheid van invloeden van buitenaf, maar als authentieke zelf-expressie.
  3. Samengaan met de natuur. Wij zijn onderdeel van de natuur, en moeten ons gevoel samen laten komen met het gevoel van de natuur als geheel. Het gaat hier om een gevoel van communie. De hele wereld wordt gezien als betekenisvol en gevoelvol. Zijn we hier dan toch terug bij het pre-moderne? Nee, zegt Taylor nogmaals, want dit wordt altijd begrepen in termen van de wereld als een subject--dus we zitten precies in het moderne idee van subjectiviteit.
  4. Hetzelfde geldt voor anderen: we willen communie met onze medemens. De visie van de Verlichting, een gemeenschap die bestaat uit atomistische individuen, is een horror. Er moet een diep gevoel van eenheid zijn.

Eén probleem: hoe kan je zowel met de wereld en de gemeenschap willen samenkomen, én op zoek zijn naar je meest eigen individualiteit? Daar komen we later op terug--eerst kijken we naar het onderscheid tussen subjectiviteit en natuur. (Maar voor ons wordt dat een volgend stuk.)