Hoofdstuk IV: De twee aspecten van de vrijheid voor de moderne mens
Na de psychologische achtergronden en consequenties van kapitalisme en protestantisme te hebben besproken, gaat Fromm verder naar de moderne tijd. Zijn doel in dit hoofdstuk zal zijn om aan te tonen dat de moderne maatschappij de mens tegelijkertijd op twee manieren verandert: zij maakt hem kritisch en zelfstandig, maar ook eenzaam en angstig. Dit is de dialectiek van de vrijheid. Hierbij komt het erop aan te zien dat we weliswaar oude vijanden van de vrijheid hebben overwonnen, maar nog nauwelijks zijn begonnen te strijden tegen nieuwe vijanden -- die niet van buiten, maar van binnen ons komen.
Het kapitalisme heeft een geweldige vooruitgang gebracht voor de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid: allerlei vrijheidsbeperkingen werden geslecht, en het maakte mensen kritisch en verantwoordelijk. Tegelijkertijd verhoogde het het gevoel van nietigheid en machteloosheid. We kunnen twee motieven van het kapitalisme onderscheiden. Ten eerste, het beginsel van individueel initiatief maakt de mens los uit verstikkende maatschappelijke verbanden, maar verbreekt daarmee tegelijkertijd de bindingen tussen mensen. Bovendien wordt deze individuele mens uitgeleverd aan een systeem van economische krachten waar hij nauwelijks invloed op heeft, en die hem wel als bedreigend moeten voorkomen.
Ten tweede, het beginsel van eigenbelang. Dit staat ook centraal, maar is vrijwel altijd verkeerd begrepen. Weliswaar doet de mens schijnbaar veel voor zichzelf, maar alleen als we buiten beschouwing laten dat hij nauwelijks weet wat goed is voor hemzelf. In het kapitalistische systeem krijgt de mens tot taak om geld te vergaren, niet omdat dat goed voor hem zou zijn, maar als doel op zich. De mens wordt tot radar in een economische machine, wat uiteraard tot gevoelens van machteloosheid en nietigheid leidt.
Hoe kan het dat de mens die een radar is in een machine toch zelf gelooft door eigenbelang geleid te worden? Om dit te begrijpen moeten we eerst inzien dat egoïsme iets heel anders is dan eigenliefde. Eigenliefde is alleen mogelijk in iemand die ook de rest van de wereld lief heeft. Egoïsme en hebzucht, de grondslagen van het kapitalisme, zijn hier juist het tegendeel van; het zijn pogingen om de angst de overstemmen die uit zelfhaat ontstaat. Wat wij eigenbelang noemen is in feite het tegenovergestelde daarvan: het leven wordt in dienst gesteld van wat goed is voor het "maatschappelijke zelf", terwijl we wat goed is voor ons werkelijke zelf veronachtzamen. Dit hangt samen met een vervreemding van ons zelf die eruit bestaat dat we onszelf zien als koopwaar op een markt: op de arbeidsmarkt, de relatiemarkt, de vriendenmarkt, enzovoorts. Het gaat er ons niet meer om onszelf te kennen en lief te hebben, maar populair te zijn. We worden steeds minder een persoon, en steeds meer gericht op wat we zijn in de ogen van de wereld -- qua roem, aanzien, geld, enzovoorts.
Nu is het zo, zegt Fromm, dat deze negatieve kanten van het kapitalisme in de afgelopen decennia, met de steeds sterkere macht van zeer grote bedrijven, enkel is toegenomen. De individuele zakenman is overgeleverd aan de grillen van machten die ver boven hem staan. De individuele arbeider is de speelbal van een baas die hij nog nooit heeft ontmoet. De individuele klant staat niet langer in een persoonlijke relatie tot de individuele verkoper, maar is een prooi voor grote bedrijven die hem met behulp van reclame proberen te manipuleren. Fromm deelt mijn diepe afkeer van reclame:
In feite is deze methodische afstomping van de het oordelend denkvermogen gevaarlijker voor onze democratie dan menige openlijke aanval, en bovendien -- beschouwd naar integrale menselijkheid -- onzedelijker dan de pornografie waarvan de publicatie verboden en gestraft wordt. (p. 99.)
Welnu, we zien dus dat er allerlei factoren zijn die ervoor zorgen dat mensen zich angstig en machteloos voelen, en hun vrijheid eerder als straf ervaren dan als iets dat goed is. In het volgende hoofdstuk gaat Fromm in op drie zogenaamde "oplossingen" voor dit probleem.
Hoofdstuk V: De vlucht voor de vrijheid
Fromm begint met het uiteen halen van twee definities van geestelijke gezondheid. Volgens de ene definitie ben je geestelijk gezond als je goed kan meedraaien in de maatschappij; volgens de andere als je "het maximum aan persoonlijke zelf-ontplooiïng [sic] en persoonlijk geluk" kan realiseren. Uiteraard kiest Fromm zelf voor de tweede definitie, want hij meent dat onze hele maatschappij in zekere zin geestesziek is. In de rest van het hoofdstuk zullen wij nu drie pathologische vormen van vluchten voor de vrijheid zien: het autoritairisme, het destructivisme, en het automatisch conformisme.
1 - Het autoritairisme
Het autoritarisme is de neiging de eigen vrijheid op te geven door zich te onderwerpen aan iemand anders die als sterker gezien wordt. Dit fenomeen begrijpt Fromm vanuit de twee termen "masochisme" en "sadisme", waarbij hij er de nadruk op legt dat masochistische en sadistische neigingen vrijwel altijd tegelijkertijd bij dezelfde personen voorkomen. Masochisme is de wens zichzelf te kleineren, te doen lijden, te onderwerpen; sadisme de neiging anderen te overheersen, te misbruiken, te doen lijden. Beide wensen weten zich in het dagelijks leven vaak te vermommen, bijvoorbeeld als vormen van liefde -- "ik houd van jou, want ik pik alles van je"; "ik houd van jou, want ik zorg voor je terwijl je zelf te zwak bent voor jezelf te zorgen". De sadist denkt vaak werkelijk te houden van wie hij onderdrukt; maar het is geen werkelijke liefde, want één ding kan hij niet toestaan, namelijk dat de andere persoon vrij en onafhankelijk is -- en dat is nu juist waar het in echte liefde om gaat. (Fromm wijst erop dat ouder-kind relaties vaak op deze wijze sadistisch zijn.)
Fromm verklaart het bestaan van masochistische en sadistische neigingen uiteraard uit het feit dat het manieren zijn om te vluchten uit ondraaglijke gevoelens van eenzaamheid en onmacht. De masochist wil zichzelf van zijn eigen persoonlijkheid verlossen, en zichzelf verliezen. De masochist ontkomt aan de marteling van de vrijheid door zijn eigen zelf te vergeten. Uiteraard is dit een pathologische schijnoplossing. De andere kant van het masochisme is dat men op wil gaan in een groter geheel dat zelf wel machtig en mooi is: een leider, een volk, een God, wat dan ook. Hier deel je in de heerlijkheid van de ander, en wordt je tegelijkertijd verlost van de noodzaak zelf keuzes te maken en ergens voor verantwoordelijk te zijn.
De sadist wil heersen. Eigenlijk heeft hij daarmee hetzelfde doel als de masochist: symbiose, de vereniging van een individuele persoonlijkheid met een ander, op zodanige wijze, dat beiden daardoor de persoonlijke onaantastbaarheid verliezen en in een volslagen wederkerige afhankelijkheid geraken. Voor de sadist komt hier dan het element van machtswellust bij:
Maar in psychologische zin is machtswellust niet in kracht, maar in zwakheid geworteld. Machtswellust is de uiting van het persoonlijk onvermogen, om alleen te staan en zelfstandig te leven, een desperate greep naar secundaire, oneigenlijke kracht, omdat echte kracht afwezig is. (p. 122.)
Sadist en masochist, vaak in één persoon vermengd (zoals in Hitler, die wil heersen over de mensen en zich wil onderwerpen aan het Lot), zijn aldus de twee kanten van het autoritaire karakter. Dit karakters, zegt Fromm, ontbreekt het niet aan activiteit, moed of geloof -- maar al deze termen betekenen voor hem iets heel anders dan voor de persoon die niet naar onderworpenheid verlangt. Activiteit komt voor het autoritaire karakter niet uit zichzelf, maar uit een bevel van boven. Zijn moed is de moed om te lijden zonder te klagen, maar niet de moed om te trachten het leed te overwinnen. Hij gelooft in gezag, maar heeft geen geloof in de zin van een veilig vertrouwen.
Een laatste type van het autoritaire karakter dat Fromm bespreekt is een type dat veel voorkomt in onze maatschappij: de persoon die op zoek is naar een "magische helper", die voor hem of haar alle problemen op gaat lossen. Deze magische helper is bijvoorbeeld een liefdesrelatie. Wanneer die niet in staat blijkt te zijn om te geven wat gevraag wordt, wordt de liefde verbroken; dan volgt een nieuwe liefde; en nog een nieuwe; totdat men zich neerlegt bij de gedachte dat het leven nu eenmaal niet geeft wat je wil.
Maar het ontgaat daarbij aan de betroffen persoon, dat zijn teleurstelling in het geheel niet te wijten is aan het feit, dat hij niet de juiste magische levensgezellin gekozen zou hebben. In waarheid is alles het gevolg van zijn poging, om door gebruikmaking van een magische kracht datgene te bereiken, wat de mens alleen zelf en door eigen vrij en oorspronkelijk handelen kan volbrengen. (p. 133.)
2 - Het destructivisme
De destructivist wordt slechts kort besproken. Het gaat hier om een persoon die zichzelf van zijn gevoel van onmacht probeert te redden door alles buiten hem te vernietigen. Fromm bespreekt Freuds theorie van levensdrift en doodsdrift, en gooit deze radicaal om: volgens hem is het een en dezelfde drift, waarbij de levensdrift verandert in een doodsdrift wanneer de gezonde verwerkelijking van de levensdrift geblokkeerd wordt. In een slogan: "Destructivisme is het gevolg van ongeleefd leven." (p. 138.)
3 - Het automatisch conformisme
De automatisch conformist lost het probleem van de vrijheid op door zichzelf gelijk te maken aan alle anderen. Hier hebben we volgens Fromm de i onze samenleving meest gebruikte vluchtmethode te pakken. Door identiek te worden met anderen, hoef ik me niet meer bang en eenzaam te voelen; maar de prijs is dat ik mijn eigen zelf verlies.
Essentieel voor Fromms betoog is het onderscheid tussen eigenlijk en oneigenlijk. Hij beweert (en heeft daar natuurlijk gelijk in!) dat we zowel eigenlijk als oneigenlijke gevoelens, gedachten en wensen kunnen hebben -- ze kunnen uit ons ware zelf komen, of van buitenaf, vaak ongemerkt, zijn opgelegd. Volgens Fromm is het meeste wat wij voelen, denken of willen oneigenlijk, en is er weinig moeilijker dan een werkelijk persoon worden. Een voorbeeldje van de moeilijkheid:
Vraag aan een gemiddelde krantenlezer, wat hij over een bepaald politiek probleem denkt. Hij zal u als "zijn mening" een min of meer getrouwe weergave verkopen van wat hij gelezen heeft, en desondanks -- en dit is weer het wezenlijke -- geloven, dat zijn woorden het resultaat van eigen denken zijn. (p. 143.)
Oorspronkelijke gedachten (dat wil zeggen, niet gedachten die nog nooit iemand gedacht heeft, maar gedachten die wij door eigen denken hebben verkregen) zijn uiterst zeldzaam. Hetzelfde geldt voor voelen en willen, en Fromm illustreert dit met voorbeelden die ik niet zal herhalen. Velen van ons zijn figuurlijk gesproken hersenloos -- en daardoor bereid zich aan autoriteiten over te geven. Zoals het nazisme, dat in het volgende hoofdstuk centraal staat.
Hoofdstuk V: De psychologie van het nazisme
Fromm onderscheidt de werkelijk enthousiaste nazi van de Duitser die uit vermoeidheid en moedeloosheid bereid bleek, zich aan het nazisme te onderwerpen; en dat liever deed dan breken met volk en vaderland en zich op die manier te isoleren. Die laatste groep is hier niet waar hij het over wil hebben. Fromm wil de echte nazi analyseren; en hiervoor moet hij bij de lagere middenstand zijn. Deze middenstand werd bedreigd door het opkomende grootkapitalisme, terwijl tegelijkertijd een aantal van de stabiliserende factoren verdwenen waren: de monarchie, de religie, de moraal, de familie. Door crisis en inflatie werd het geloof in de eigen economische kracht geschokt, terwijl ondertussen de keizer was verdwenen, kinderen niet meer luisterden, de macht van de kerk afnam -- dit alles gaf een groot gevoel van onzekerheid.
Niet dat Hitler werkelijk met een oplossing kwam. Hij bevredigde alleen de emoties van de middenstand, maar ging ondertussen opportunistisch om met het grootkapitaal. Maar de emoties die het nazisme gaf aan de massa, met daarbij de belofte dat alles beter zou worden, waren genoeg om voor een bepaalde tijd de economische situatie te vergeten.
Er volgt een analyse van passages uit de werken van Hitler en andere nazi's, waarin wordt aangetoond dat zij de kenmerken van de sado-masochistische autoritaire persoonlijkheid in hoge mate bezitten. Ik zal daar verder niet op ingaan.
Hoofdstuk VI: Vrijheid en democratie
1 - De illusie van individualiteit
We zagen al dat Fromm denkt dat de meeste van onze gedachten, gevoelens en wensen niet van onszelf zijn; dat wij eigenlijk helemaal geen individuen zijn. Het kind wordt al snel geconditioneerd om te doen zoals iedereen doet. Zelfs zoiets spontaans als een lach wordt tot een conventioneel teken dat wij in precies bepaalde sociale situaties gebruiken. Allerlei aspecten van het leven moeten wij zelfs helemaal verdringen: het seksuele, het emotionele, het tragische. (Voor de eerste twee staan wij nu waarschijnlijk meer open dan toen Fromm dit boek schreef rond 1940. Voor de laatste misschien nog wel minder.) Ons denken wordt verlamd doordat wij met informatie over de wereld gebombardeerd worden, maar tegelijkertijd op geen enkele manier serieus genomen worden om hier zelf over na te denken: alvast voor ons geïnterpreteerde data komt tot ons binnen, maar zonder kaders, zonder theorie, zonder een wereldbeeld of een visie op het leven. Wie naar het nieuws kijkt kan zich na afloop qua denken alleen maar machteloos voelen; want wat heeft hij gehoord waarmee hij aan de slag kan? Niets. Dat is ook niet de bedoeling. De bedoeling is dat we na afloop blijven hangen voor de reclame. En wat we willen, dat weten weten we al helemaal niet, en als er ooit twijfels bij ons rijzen over wat we willen, dan proberen we die zo snel mogelijk de kop in te drukken door "van te voren voor ons klaargemaakte doelen als eigen doelen aan te nemen" (p. 186).
De moderne mens dorst naar leven. Maar aangezien hij als automaat het leven niet meer in de betekenis van spontane, oorspronkelijke en vrije handeling kan ondervinden, aanvaardt hij als surrogaat iedere vorm van opwinding en sensatie: de sensatie van het drinken, van de sport, de sensatie, als plaatsvervanger de opwindingen van fictieve personen op het witte doek te mogen doorleven. (p. 188.)
2 - Vrijheid en spontaneïteit
Goed, dat was allemaal nogal depressief. Vrijheid leidt tot angst en onmacht en alles wat slecht is. Is er ook goede, positieve vrijheid mogelijk? Jawel, zegt Fromm, in de zelfverwerkelijking, dat wil zeggen, de "oorspronkelijke en vrijwillige activiteit van de gehele vervulde persoonlijkheid" (p. 190). We moeten spontaan zijn. Maar wat is dat? We kunnen er in ieder geval voorbeelden van herkennen: bij sommige kunstenaars, bij kinderen, of bij onszelf:
Of het nu gaat om het fris en spontaan waarnemen van een landschap, om een zinnelijk genot dat niet banaal is, of om het opwellen van liefde jegens een medemens -- in al deze ogenblikken weten wij, wat een spontane handeling is, en krijgen wij misschien een vizioen van wat dit leven kon zijn, wanneer deze ondervindingen maar niet zo zeldzaam en als levenscultuur verwaarloosd waren. (p. 192.)
De belangrijkste component van spontaneïteit is liefde; daarnaast arbeid, als scheppend handelen:
Want de persoonlijkheid is sterk naarmate zij handelend is. Er schuilt geen echte kracht in bezit als zodanig, zo min van stoffelijke welvaart als van geestelijke elementen zoals gevoelens en gedachten. [...] Tot onszelf behoort alleen datgene, hetzij mens of levenloos voorwerp, waarmee wij op oorspronkelijke wijze door eigen creatief handelen verbonden zijn. Alleen datgene wat uit eigen spontaneïteit voortkomt, geeft kracht aan de persoonlijkheid en vormt bijgevolg de grondslag van onze persoonlijke zuiverheid en onaantastbaarheid. (p. 193.)
Men moet de twijfel aan zichzelf overwinnen en een veilige zekerheid krijgen; een zekerheid die we elk ogenblik opnieuw moeten verwerven door spontaneïteit en zelfverwerkelijking. We moeten onszelf in onze individualiteit accepteren. We moeten inzien dat er geen hogere macht boven ons staat, dat alleen wijzelf het doel van ons leven zijn.
Betekent dat dat er niet zoiets kan bestaan als zelfopoffering? Integendeel. Maar de zelfopoffering kan alleen geschieden als hoogste daad van zelfverwerkelijking, niet als het "dulce et decorum est":
Dit offer zal zijn tragische karakter nooit verliezen. De dood is nooit zoet, zelfs niet wanneer men voor het allerhoogste ideaal sterft. Integendeel, de dood is onuitsprekelijk bitter en kan toch de hoogste bevestiging van onze persoonlijkheid zijn. (p. 197.)
En dan, ja dan komt Fromm met het beste antwoord dat er is op hen die vinden dat we teveel door zijn geslagen in het individualisme:
De culturele en politieke crisis van onze tijd dankt zijn bestaan niet aan het feit, dat er te veel individualisme is, maar dat het door ons vermeende individualisme een lege dop geworden is. (p. 199.)
De betekenis van deze claim zal uit het voorgaande afdoende duidelijk zijn geworden. Wij moeten de vrijheid leren verdragen, ja, haar leren te zien als iets positiefs; niet alleen om onszelf te redden, maar ook om onze samenleving te redden. Een prachtig boek, The Fear of Freedom, dat nog even zinvol is om te lezen als het in 1941 geweest zal zijn.