In 1988 zag een essay van Harry Mulisch het licht, Het licht, uitgegeven als klein boekje door De Bezige Bij. In dit essay gaat Mulisch moderne natuurkunde en veel minder moderne theologie met elkaar vergelijken, wat af en toe aardig is, en trekt hij volkomen bizarre wetenschapshistorische conclusies.
Samenvatting
Mulisch bekritiseert eerst een aantal auteurs die banden hebben gelegd tussen moderne natuurkunde en oosterse wijsheid. Nu is het volgens Mulisch zo dat die vergelijkingen formeel wel kloppen, maar materieel niet: je ziet hetzelfde soort gedachten, maar ze gaan over hele andere dingen. Volgens Mulisch is het ook erg onwaarschijnlijk dat je de westerse wetenschap in de oosterse wijsheid zou kunnen vinden; de zaden daarvoor moeten natuurlijk in de westerse wijsheid gezocht worden!
Aan de hand van het thema licht laat Mulisch dan wat ideeën en namen de revue passeren. Genesis stelt dat God het licht als eerste schiep; Plato zegt evenzo dat de Zon het evenbeeld van het Goede is. Bij Philo Judaeus en Johannes ontstaat een onto-theologische identiteit tussen het licht en God. Mulisch ziet de "lichtmetafysica" een belangrijk deel van de verdere theologie en filosofie doordringen, met name in een onderscheid tussen het zintuigelijke lumen naturale en het spirituele lumen divinum. Maar deze theologische stroming sterft met Bruno in het vuur.
Tegelijkertijd was er een veel rationalistischer theologie, die dominant werd en daardoor de moderne wetenschap mogelijk maakte. Deze stroming hield niet van Platoonse lichtmetaforen, schafte het lumen divinum af, en alleen het lumen naturale bleef over. Daar ging de natuurwetenschap mee aan de slag. Mulisch praat ons kort door een aantal ontdekkingen heen, zoals het Michelson-Morley epxeriment, de relativiteitstheorie, de Big Bang, golf-deeltjedualiteit, de Kopenhageninterpretatie en zelfs het EPR-experiment en de aangetoonde non-lokaliteit. Wat ziet hij in al deze zaken gebeuren? Dat we ideeën uit de lichtmetafysica terugzien, en dan niet alleen hun vorm, maar ook hun inhoud. De speculaties van Johannes, Plotinus en weet ik het wie allemaal waren volgens Mulisch "eenvoudig letterlijk waar".
Als uitsmijter krijgen we nog te horen dat het westen dit allemaal heeft ontdekt door de techniek, en dat de techniek wel in het westen moest ontstaan omdat wij de enige monotheïstische godsdienst zijn waarin een technisch instrument--het kruis--een hoofdrol speelt.
Commentaar
Wat moet je hier nu mee? Met welk doel is dit gepubliceerd?
Er moet gezegd worden dat Mulisch meer van natuurkunde begrijpt dan de meeste niet-specialisten die zich hieraan wagen; maar zijn kennis is niet perfect, en ik vind het onbegrijpelijk dat de uitgever het niet even heeft laten nakijken door iemand die de fouten eruit had kunnen halen. De claim dat er bij de Big Bang geen geluid was omdat er geen lucht was had zo voorkomen kunnen worden, evenals het idee dat fotonen geen fundamentele deeltjes zijn, of dat de golf-deeltjedualiteit hetzelfde is als de "dualiteit" tussen het meten van plaats en het meten van impuls. En als je erop wil wijzen dat iets niet sneller dan het licht gaat omdat dat oneindig veel energie kost, kan je niet met de incomplete formule "E=mc^2" aankomen, aangezien daar juist de term die je voor je argument nodig hebt ontbreekt.
Het verhaal wordt uiterst zwak zodra Mulisch overeenkomsten gaat aanwijzen tussen natuurkundige denkbeelden en denkbeelden uit de onto-theologische traditie. Dat de lichtsnelheid onafhankelijk is van de referentiestelsel laat zien dat we dicht bij het intelligibele licht van Plotinus staan. De Big Bang, die volgens Mulisch wegens een gebrek aan geluid eigenlijk de Fierce Flash zou moeten heten (onzin natuurlijk, de druk in het vroege Universum is juist zeer hoog), is duidelijk gelijk aan het "Er zij Licht" van de traditie. Een citaat van Bohr lijkt wel erg veel op een citaat van Tertullianus. Schrödingers kat is een heldere analogie met de toestand van Jezus tussen graflegging en opstanding. Zwarte Gaten zijn natuurlijk de Hel.
Met andere woorden: als Mulisch twee uiterst rijke tradities neemt, dan kan hij een paar vage analogieën aanwijzen tussen ideeën uit die tradities. Leuk voor aan de borreltafel, of om een gedicht aan op te hangen, maar in een essay met schijnbaar wetenschapshistorische pretenties?
Helemaal mal wordt het als Mulisch claims over de wetenschapsgeschiedenis maakt. Zo krijgen we te horen dat de overwinning van een scholastische theologie op een neo-Platoonse theologie de moderne wetenschap mogelijk heeft gemaakt; over de relatie tussen neo-Platonisme en de opkomst van de mathematische wetenschap horen we niets, en wat vreemder is, gezien de titel en inhoud van het essay, Mulisch gaat geheel voorbij aan de Pythagoreïsch-Platoonse lichtmetafysica die Copernicus centraal stelt in zijn argumentatie! Ik citeer (in vertaling):
At rest, however, in the middle of everything is the sun. For in this most beautiful temple, who would place this lamp in another or better position than that from which it can light up the whole thing at the same time? For, the sun is not inappropriately called by some people the lantern of the universe, its mind by others, and its ruler by still others. (Hermes) the Thrice Greatest labels it a visible god, and Sophocles’ Electra, the all-seeing. Thus indeed, as though seated on a royal throne, the sun governs the family of planets revolving around it.
Ook bij Keppler kan je dit soort invloeden vinden. Hier gaat Mulisch duidelijk veel te kort door de bocht. Vervolgens vertelt hij ons dat de optica zich voorspoedig ontwikkelde op de fundamenten die door Newton waren gelegd, tot aan de twintigste eeuw. Maar dit is natuurlijk juist voor de optica verre van waar. Sterker nog, pas in de twintigste eeuw werd het Newtoniaanse fundament weer een beetje in ere hersteld, nadat het eerst door de opkomst van golftheorieën volledig vernietigd was.
En dan de claim dat het kruis van Jezus de verklaring biedt voor de opkomst van de moderne wetenschap--die claim is zo far out, zo absurd, dat je je af gaat vragen of het hele verhaal niet als één grote grap gezien moet worden.
Want wat wil Mulisch nu eigenlijk met dit verhaal? Als serieuze onderbouwing van een serieuze these faalt het volkomen. Is het inderdaad niets anders dan een poging van een schrijver om ook iets te betekenen op een gebied waar hij te weinig competentie heeft? Of is het een vorm van humor?