James Branch Cabell is één van de vergeten schrijvers van de twintigste eeuw. In 1930 sprak Sinclair Lewis in zijn Nobelprijs-speech over Cabell als een Amerikaan die de jury ook de prijs had kunnen toekennen -- andere namen die Lewis laat vallen zijn Eugene O'Neill en Ernest Hemingway. Van plausibele Nobelprijskandidaat tot iemand waarvan zeer weinigen zelfs maar hebben gehoord -- hoe kan dat? Ongetwijfeld zal het iets te maken hebben met een algehele eclips van het fantastische in de "serieuze" literatuur van de twintigste eeuw.
Gelukkig is dit niet de vraag waar wij ons mee bezig moeten houden. Wij willen het hebben over Jurgen, het boek. Het is een bizar boek, een ongrijpbaar boek, maar ook een mooi boek, een ontroerend en pijnlijk boek. Zoals in zoveel fantastische literatuur van voor de Tolkien-consensus is er geen enkele poging een coherente imaginaire wereld op te bouwen: waar het Cabell veeleer om gaat is dat hij alle elementen uit de geschiedenis van de literatuur, de religie, de mythologie en de filosofie kan gebruiken voor zijn poging wijsheid uit het leven te destilleren. We zitten hier relatief dicht bij de werken van Herman Hesse, die zich ook steeds heeft toegelegd op het verhaal van een jongeman die door een niet-realistische wereld trekt op zoek naar ervaringen die zijn leven vorm en inhoud kunnen geven. Maar Jurgen is geen jonge man meer, wat relevant is; en Cabell is veel ironischer, vluchtiger, speelser en meer "outrageous" dan Hesse.
Jurgen begint wanneer Jurgen, een lommerdhouder van middelbare leeftijd, de duivel verdedigt tegenover een vloekende monnik. De maker van "dat wat is", Koshchei, hoort dit en is er blij mee dat er tenminste iemand is die niet zeurt; om Jurgen te belonen haalt hij datgene uit zijn leven weg wat hem het meest in de weg zit om zijn dromen dichter te worden waarheid te maken. Wat dat is? Zijn vrouw natuurlijk.
Jurgen vindt dat op zich wel best, maar aangespoord door zijn schoonfamilie begint hij toch haar te zoeken. De tocht zal hem een jaar lang door steeds fantastischer locaties en langs steeds aanlokkelijker vrouwen voeren, van de wereld van koning Arthur via die van de paganistische goden tot de heldenwereld van de Grieken, via de Hel naar de Hemel, tot hij uiteindelijk Koshchei weer ontmoet. Deze probeert hem nog eenmaal door middel van drie min of meer perfecte vrouwen ertoe te brengen niet zijn eigenlijke vrouw terug te willen; maar Jurgen kiest daar uiteindelijk toch voor.
Zoals gezegd is Jurgen een gefaalde dichter. Het zou overdreven zijn te zeggen dat hij ongelukkig is, maar gelukkig is hij toch ook niet. Er mist iets; en het jaar dat hij kan zwerven door alle wereld die de mensen kennen op bedacht hebben is voor hem een zoektocht naar datgene wat mist, een zoektocht die voor hem vooral de vorm krijgt van het aanknopen van relaties met verschillende soorten vrouwen. De eerste vreemde plek waar Jurgen terecht komt is de "garden between dawn and sunrise", waar alleen imaginaire wezens wonen, en dus ook alle jonge geliefden zoals ze elkaar zagen. Hier komt Jurgen zijn eerste liefde tegen, een jong adellijk meisje dat hem eeuwige trouw zwoer en daarna met een edelman trouwde. De oude Jurgen vertelt haar dit verhaal, en wat het de jonge Jurgen geleerd heeft:
"As the sequel, it would be heroic to tell you this boy's life was ruined. But I do not think it was. Instead, he had learned all of a sudden that which at twenty-one is heady knowledge. That was the hour which taught him sorrow and rage, and sneering, too, for a redemption. Oh, it was armor that hour brought him, and a humor to use it, because no woman now could hurt him very seriously. No, never anymore!" (p. 21)
En inderdaad, de Jurgen die wij in het boek leren kennen heeft een levenshouding gevonden die hem in staat stelt pijn te krijgen noch te berokkenen, zonder in afzondering en passiviteit te vervallen. Hij is grappig en gevat, zeer verliefd op zijn eigen intelligentie, bereid om alles een keer te proberen; hij denkt niets zeker te weten, en is bereid van elke overtuiging toe te geven dat het op zich een goede overtuiging is, al is het misschien niet de zijne; hij is altijd charmant; hij neemt niets erg serieus. Inderdaad is humor voor hem een wapenrusting die ervoor zorgt dat hij zich nergens al te zeer aan verbindt, en daardoor nooit echt geraakt kan worden. En het is een aardige, sympathieke humor: hij draagt er ook zorg voor dat hij niemand raakt.
Dit is het perfecte moment om iets over de stijl van het boek te zetten. Jurgen zit vol grappen, zowel leuke als flauwe; springt van hot naar her; drijft overal de spot mee; heeft meer seksuele double entendres dan je had gedacht dat er in één roman zouden passen; en lijkt daarmee misschien een oppervlakkig werk. Grappig, maar niet diep. Niets is echter minder waar. Cabells ironie is een schild tegen de duistere boodschap die hij te brengen heeft. Het is, om Nietzsche aan te halen, de Apollinische sluier die hij over zijn Dionysische boodschap moet draperen. En dat is precies het thema van het boek: Jurgens ironische pantser herhaalt zich in de schrijfstijl, en het falen en herstellen hiervan is de climax van het verhaal.
Gaan we terug naar het verhaal. Jurgen wil zichzelf ervan overtuigen dat de manier waarop hij zijn eerste liefde verloren heeft slechts een nare droom is geweest:
"Surely, mine was a dream that can never be true so long as there is any justice upon earth. Why, there is no imaginable God who would permit a boy to be robbed of that which in my evil dream was taken from me!" (p. 23)
En aldus begint de zoektocht van Jurgen naar gerechtigheid, want het kan toch niet rechtvaardig zijn dat zijn dromen in duigen gevallen zijn en hij zonder hoop is achtergebleven? Eerst weet hij op sluwe wijze zijn jeugd terug te krijgen, zodat hij de eerste geliefde kan afpakken van de man die haar in feite getrouwd heeft. Dat lukt (met geweld), maar het meisje is niet precies zoals hij zich herinnerde:
And in his heart was an unnamable depression and loneliness, because it seemed to him that this was not the Dorothy whom he had seen in the garden between dawn and sunrise. For in my arms now there is just a very pretty girl who is not over-careful in her dealings with young men, thought Jurgen, as their lips met. Well, all life is a compromise; and a pretty girl is something tangible, at any rate. (p. 39)
Dit avontuur komt al snel tot een einde, maar Jurgen kijkt positief terug op zijn jonge liefdes:
[W]e were unspeakably wise to indulge in the high-hearted insanity that love induced; since love alone can lend young people rapture, however transiently, in a world wherein the result of every human endeavor is transient, and the end of all is death." (p. 43)
De essentiële woorden daar zijn "young people", maar daar is Jurgen, met zijn hernieuwde jeugd, zich nog niet al te bewust van. Het grootste deel van het boek dat volgt is een serie van pogingen om het geluk te vinden in een bepaald soort liefde: in de wereld van middeleeuwse romance, waar de vrouw wordt aanbeden als een in essentie kuis en heilig wezen; in de wereld van paganistische origieën, waar sensueel plezier het doel is; in een wereld waar iedereen is wat hij is, en Jurgen een rustige tevredenheid smaakt. Niets van dit alles blijkt echt afdoende te zijn. Zo vindt hij sensueel genot al snel maar oppervlakkig en flauw -- iets dat zijn ziel geen recht doet. De natuurgodin met wie hij samenleeft probeert hem er nog van te overtuigen dat zoiets als een ziel niet bestaat en het alleen om het lichaam gaat, maar tevergeefs:
"No, I cannot believe in nothingness being the destined end of all: that would be too futile a climax to content a dramatist clever enough to have invented Jurgen." (p. 104)
En is dat niet de trots die alle goden geschapen heeft? Cabell heeft er later veel pret mee erop te wijzen dat de Hel het product is van de trots van mensen die hun eigen misdaden zo belangrijk vonden dat deze eeuwige straffen verdienden. (De duivels in de Hel worden helemaal overwerkt door zondaars die constant zeuren dat ze niet zwaar genoeg worden gefolterd, dat er geen recht wordt gedaan aan het belang van hun zondes.)
De meest gelukkige periode in het avontuur van Jurgen is de tijd die hij doorbrengt bij de stad van Helena, een vrouw die zo mooi en perfect is dat hij wegvlucht wanneer hij haar gezien heeft en zich in het bos vestigt met een dryade, Chloris. Deze dryade houdt van hem, hij houdt van haar op een rustige manier, en er is veel tevredenheid. Niettemin knaagt er iets; iets dat Jurgen bijvoorbeeld tot de volgende discussie met Silenus brengt (een variatie op de discussie die Nietzsche ons geeft):
"Now, then, Silenus, since you are so wise, come tell me, is it really the best fate for a man to be drunk always?"
"Not at all. Drunkenness is a joy reserved for the Gods: so do men partake of it impiously, and so are they very properly punished for their audacity. For men, it is best of all never to be born; but, being born, to die very quickly,"
"Ah, yes! but failing either?"
"The third best thing for a man is to do that which seems expected of him," replied Silenus. (p. 125)
Maar dat is nu juist de wet van Philistia, en Jurgen haat Philistia met een passie die elke dichter eigen is. Wellicht gedreven door de gedachte dat hij toch moet proberen zijn dromen te verwezenlijken sluipt Jurgen 's nachts de stad van Helena in, en komt in haar slaapkamer terecht na iedereen in slaap te hebben getoverd. Helena is de perfecte vrouw, de ultieme schoonheid, zoals we ook later in het boek nog zullen zien.
It is the memory of your beauty, as I then saw it mirrored in the face of a jill-flirt, which has enfeebled me for such honest love as other men give women: and I envy these other men. For Jurgen has loved nothing -- not even you, not even Jurgen! -- quite whole-heartedly. (p. 136)
Hij besluit haar uiteindelijk niet naakt te zien. Als ze niet perfect zou zijn, zou zijn droom aan duigen vallen. Als ze het wel was -- hoe zou hij kunnen leven zonder verlangens? Dat is althans de manier waarop hij redeneert wanneer hij terugkeert tot zijn dryade.
Het afscheid van Jurgen en Chloris is een werkelijk mooie passage, waarin Jurgen uiteindelijk tot de verzuchting komt die waarschijnlijk de verzuchting van ons allemaal is, en dat dan nog in de beste omstandigheden: "I was not ever unkind to her... ah, but I might have been so much kinder." (p. 147)
Uiteindelijk lukt het Jurgen zelfs om in de Hemel te komen, en daar God te aanschouwen. Een God die liefde is, een God waar hij aan zou willen geloven, een God van wie hij houdt omdat degenen van wie Jurgen veel hield op hun beurt veel van deze God hielden -- maar het lukt hem niet. Hij kan niet aan deze God geloven. Er is niets, roept hij uit, voor mij om te aanbidden! Het is Jurgen, ook na een jaar, niet gelukt om zijn wens te vinden, om zelfs maar te vinden wat het is dat hij wenst.
En zo komt het dat Koshchei, die niet kan geloven dat Jurgen zijn vrouw terug wil, hem nog eenmaal Guenevere, Anaïtis en Helena voortovert, de vrouwen die staan voor het goddelijke, deugdzame werk dat aanbeden en gediend moet worden; de lusten en geneugten van het vlees; en de ultieme en perfecte schoonheid. Guenevere en Anaïtis stuurt Jurgen zonder problemen weg. Maar wanneer hij Helena ziet, moet hij huilen, en spreekt hij de monoloog die het duistere hart van het boek is:
"At the bottom of my heart, I no longer desire perfection. For we who are tax-payers as well as immortal souls must live by politic evasions and formulae and catchwords that fret away our lives as moths waste a garment; we fall insensibly to common-sense as to a drug; and it dulls and kills whatever in us is rebellious and fine and unreasonable; and so you will find no man of my years with whom living is not a mechanism which gnaws away time unprompted. For within this hour I have become again a creature of use and wont; I am the lackey of prudence and half-measures; and I have put my dreams upon an allowance. Yet even now I love you more than I love books and indolence and flattery and the charitable wine which cheats me into a favorable opinion of myself. What more can an old poet say? For that reason, lady, I pray you begone, because your loveliness is a taunt which I find unendurable. [...] So it is necessary that I now say farewell to you, Queen Helen: for I have failed in the service of my vision, and I deny you utterly!" (p. 200-201)
En daarmee gaat Jurgen terug naar zijn oude leven: onbevredigd, voorbij het geloof in bevrediging, maar zolang hij niet teveel nadenkt behoorlijk tevreden. Wat meer kan een oude dichter zeggen? Of wensen?