Dat Couperus veruit de beste romanschrijver is die het Nederlands ooit heeft gekend, dat wordt maar weer eens bevestigd door Langs lijnen der geleidelijkheid. Als een toch relatief obscure roman al zo goed kan zijn! Omgekeerd, hoe kan het dat een zo goede roman relatief obscuur is? Waarom hebben meer mensen Nooit meer slapen gelezen dan Langs lijnen der geleidelijkheid? Een mysterie. Om nog een vergelijking te maken: ik las dit boek in hetzelfde verband als waarin ik enkele weken geleden Blauwe maandagen las, een boek dat zichzelf met enige regelmaat verliest in treurige en gênante seksscènes. Zo zijn ze bedoeld, natuurlijk; ik trek hier niet het schrijftalent van Grunberg in twijfel. Maar wat een verademing om een seksscène van Couperus te lezen!
Het begon te schemeren en zij gingen terug. Hij gaf het adres op van zijn atelier. Zij volgde hem daar. En zij gaf zich aan hem, in geheel haar oprechtheid van waarheid, en met een liefde zo hevig en groot, dat zij dacht te bezwijmen in zijn armen. (p. 107.)
Voordat ik nog iets inhoudelijks over de roman zeg wil ik eerst kort de geniale stijl van Couperus vieren. Daartoe een citaat van één zin, redelijk willekeurig gekozen:
Zij maakte op Cornélie de indruk van een bonte kapel, die dartel en onbezonnen zich wel eens te pletter kon vliegen tegen de serreglazen van het nauwe leven. (p. 18.)
Als van die woorden, dat beeld en die constructie je hart niet sneller gaat kloppen, dan ben je een taalbarbaar. Maar u bent natuurlijk geen taalbarbaar, lieve lezer, dus laat ons bij die mogelijkheid verder ook niet meer stilstaan.
De hoofdpersoon van het boek in de jonge Nederlandse vrouw Cornélie de Retz van Loo, die gescheiden is van haar man en nu in Rome haar leven opnieuw vorm wil geven. Haar mislukte huwelijk met een bazige en gewelddadige man heeft haar niet alleen tot de radicale stap van scheiding gebracht -- echt radicaal in 1900 -- maar haar bovendien een voorstander van feminisme en een tegenstander van het huwelijk in het algemeen gemaakt. Vragen over emancipatie spelen een zeer belangrijk rol in Langs lijnen der geleidelijkheid. Maar wie Couperus kent zal begrijpen dat het hem niet zozeer over het algemene idee gaat; hij staat daar vaag sympathiek tegenover, zoals Duco van der Staal in het boek, maar het heeft niet als zodanig zijn interesse. Couperus schrijft een psychologische roman pur sang, en wil dus de oorzaak en uitwerking van deze ideeën beschrijven in Cornélie. Ik denk dat je een verschrikkelijke misstap zou begaan als je zou denken dat Couperus Cornélie naar voren schuift als een "standaardvrouw", als je denkt dat hij door middel van haar een punt wil maken over de mogelijkheid of onmogelijkheid van emancipatie. Emancipatie is voor hem een manier om naar Cornélie te kijken, niet andersom.
De roman ontwikkelt zich op twee niveaus. Ten eerste is er de snelle en vaak spannende opeenvolging van gebeurtenissen in het leven van Cornélie: haar pogingen om rust te vinden in Rome, haar feministische schrijfwerk, haar verhouding met Duco en alle wisselingen die daarin optreden, haar pogingen Urania bij de prins weg te houden, haar geflirt met de prins en hoe dat bijna verkeerd afloopt, haar geldnood: alsof het moet contrasteren met het bedachtzame, soms lome proza geeft Couperus zijn verhaal vaart en telkens nieuwe, onverwachte, maar volkomen plausibele wendingen mee. Tegelijkertijd en ten tweede is er duistere onderstroom van het boek, het noodlot van Cornélies levenslijn. Zij weet niet waar ze naar op weg is; wij weten het ook niet. Maar we vermoeden dat het niet veel goeds is; en we weten zeker, op elk moment, ook als haar geluk het grootst lijkt, dat ze nog niet in een stabiele toestand terecht is gekomen. Langs lijnen der geleidelijkheid is vooral bekritiseerd om het feit dat de plotwendingen op het einde geheel onverwacht en implausibel zouden zijn, psychologisch gezien. En misschien zit daar iets is, althans, wij hebben de psychologie van Cornélie niet zo leren kennen dat wij het einde hadden kunnen voorspellen. Maar wel hebben we op een dieper niveau gezien dat zij geen rust kan vinden in dat wat haar gelukkig maakt. We hebben begrepen dat er iets duisters in haar ziel zit dat haar een heel andere kant op zal drijven, en waarschijnlijk een afgrond in. De aard van de afgrond mag ons misschien verrassen, maar toch ook niet al te zeer. Wie vindt dat Couperus het einde niet goed heeft gemotiveerd, heeft het boek misschien niet goed genoeg gelezen.
Duco vertelt ons heel vroeg in het boek:
"Aan zijn leven richting geven, dat is het moeilijke. Ieder leven heeft een lijn, een richting, een weg, een pad: langs die lijn moet het leven vervloeien in de dood, en wat is na de dood; en díé lijn is moeilijk te vinden. Ik zal mijn lijn niet vinden." (p. 51.)
Het probleem van Cornélie is niet zozeer dat ze haar lijn niet zal vinden, maar dat zij haar leven geen richting kan geven. Ten diepste is zij passief, wellicht, zoals ze het zelf later zegt, verpest door een opvoeding die haar alleen geleerd heeft om mooi te zijn en te trouwen, maar hoe dan ook passief en niet in staat haar leven een andere richting uit te sturen dan degene die voor haar bepaald is. Die lijn van haar leven is waarlangs de metaforische handen haar zullen duwen, en zij... zij zal geen weerstand bieden.
En zij hielden elkaar vast omhelsd, als voelden zij iets, dat hen zou kunnen scheiden, een onafwendbare noodzakelijkheid, of handen zweefden rondom hen heen, hen duwende, hen leidende, hen tegenhoudende en verdedigende, een strijd van handen, als een wolk om henbeiden; handen, die met geweld zochten te splitsen hun glinstere levenslijn, hun samengesmolten levenslijn, als was die te smal voor hun beider voeten, en de handen ze wringen zouden uiteen, om in twee spiralen de grote lijn uiteen te laten slingeren. Zij zeiden niets: in elkanders armen zagen zij het leven aan, huiverden zij voor de handen, voelden zij het naderen van de dwang, die al dichter wolkte om hen heen. Maar zij voelden zich warm tegen elkaar: nauw in hun omhelzing sloten zij hun klein geluk, verborgen zij het tussen henbeiden in, opdat de handen het niet zouden aanwijzen, beroeren, duwen... (p. 189.)
Cornélie neemt vanwege geldgebrek een betrekking in Nice, alwaar ze haar ex-man weer tegen het lijf loopt. Hij is het noodlot, want het blijkt al snel dat ze zich nooit van hem heeft kunnen losmaken. Dat de zwakheid die haar beheerst heeft, de passiviteit die ervoor heeft gezorgd dat ze niets vaan haar leven maakt, voortkomt uit het feit dat ze nog steeds voelt dat ze hem toebehoort. De laatste pagina's van de roman staan vol met afschuwelijke, prachtige, angstaanjagende passages.
Onder die stem was ze als een voorwerp, een ding, dat hem toebehoorde, nadat hij haar eerst voor altijd gestempeld had tot zijn vrouw. Zij was onmachtig hem uit zich te werpen, hem van zich af te schudden, het stempel van zijn bezit, het brandmerk van zijn eigendom zich af- en uit te wissen. Zij was van hem, en alles wat anders haarzelve was, had haar verlaten. Er was in haar hersens geen herinnering meer en gedachte... (p. 229.)
Let wel, dit is niet Couperus die de heiligheid van het huwelijk aan ons probeert te verkopen, of iets in die zin. Helemaal niet. Cornélies gebrek aan vrijheid wordt eerder als een verschrikkelijk noodlot gebracht dan als een morele plicht of een natuurlijke situatie. Lees en huiver:
Zij was in haar bloed geen vrouw voor velen: zij was in haar bloed geheel echtvrouw, echtgenote, gemalin. Van de man, die haar man geweest was, was zij in haar vlees, in haar bloed de vrouw, en was zij zijn vrouw, ook zonder liefde. Want zij kon dit geen liefde noemen; zij noemde liefde alleen dat andere, dat hoge en tedere, dat innig volmaakte van levensharmonie, dat gaan van twee langs een gouden lijn, samengesmolten uit twee glinsterende lijnen... Maar in een wolk waren om hen heen de handen als opgespookt, hadden de handen geheimzinnig, noodlottig hun gouden lijn uiteen doen springen, en de hare, kronkelend arabesk, was teruggesprongen, trillende spiraal, en had gekruist een donkere lijn van vroeger, een sombere weg van het verleden, een duistere laan vol onbewustbaarheid en noodlottige slavernij. (p. 231.)
Haar liefde voor Duco, zo voelt ze, was de bloei van haar ziel; maar de ziel bloeit slechts één zomer lang! En dus gaat zij, die in haarzelve de kracht niet kan vinden om haar eigen weg te gaan, terug naar het pad dat haar geboden wordt te betreden. Ze geeft zich over. Ze onderwerpt zich. Het hele boek lang heeft ze een doel gezocht voor haar leven, en op het einde weet ze eindelijk wat het is:
Zij voelde, dat zij voortaan vooral mooi moest zijn, en dat verder er niets meer op aan kwam. (p. 146.)
Dat is een van de meest hartverscheurende zinnen die ik ooit heb gelezen.
Bibliografie: