Martin Heidegger, "Sein und Zeit" (1927), §14-18

§14

Heidegger gaat het fenomeen van de wereld, van de wereldlijkheid van de wereld, aanpakken. We moeten dit niet begrijpen in termen van substanties: de natuur is iets dat wij in de wereld tegenkomen. Wereld is oorspronkelijker dan natuur, of welk ander zijnde in de wereld dan ook. (Pagina 64; hier kan Heidegger met "innerweltlichen Seienden" dus niet "Dasein" bedoelen.)

Laten we vier mogelijke betekenissen van "wereld" naast elkaar zetten. 1. Al het zijnde dat zich in de wereld kan bevinden. 2. Het zijn van deze zijnden. 3. Het "waarin" waarin het faktische Dasein als zodanig leeft. 4. Het ontologisch-existentiale begrip "wereldlijkheid". Heidegger nu zal "wereld" gebruiken in de zin van 3, en alleen tussen aanhalingstekens voor 1.

Om wereld beter te begrijpen doet Heidegger wat hij in het eerste deel van Sein und Zeit altijd zal doen: als te onderzoeken fenomeen kiest hij de alledaagsheid. De wereld van het alledaagse Dasein is de Umwelt.

§15

De meest primaire ("nächste", "nabije") vorm van omgang met de wereld is het hanterende, gebruikende bezorgen. Wat we hierin hanteren en gebruiken zijn niet de dingen zoals de traditie die begrepen heeft, maar het tuig. Wat is het verschil? Dit is nogal simpel: een tuig is holistisch, in die zin dat het enkel kan zijn binnen een "tuiggeheel", een systeem van werktuigen, en uiteraard ook doelen, enzovoorts. Deze holistische aard van het tuig maakt het iets heel anders dan het juist niet holistisch te begrijpen ding van de traditionele ontologie. De zijnsvorm van het tuig noemen we Zuhandenheit. Het is uitdrukkelijk niet Heideggers bedoeling dat we over tuig nadenken als een ding dat dan nog als extra eigenschap een subjectieve doelmatigheid toegeschreven krijgt. Nee, het zien van dingen, dat wil zeggen, van de dingen als Vorhandenes, is pas mogelijk vanuit de meer primaire omgang met het tuig de Umwelt. Dit brengt Heidegger tot de voor mij zeer verrassende claim dat

Zuhandenheit is die ontologisch-kategoriale Bestimmung von Seiendem, wie es "an sich" ist. (p. 71.)

Daar mogen aanhalingstekens gebruikt zijn, maar toch... hoe zouden we zoiets ooit kunnen claimen in een Heideggeriaanse fenomenologie?

§16

Tot het alledaagse In-der-Welt-sein horen modi van bezorgen die het bezorgde zijnde zo laten opkomen, dat we we wereldlijkheid van de zaken in de wereld in de smiezen kunnen krijgen. Heidegger denkt hierbij aan niet-bruikbaarheid: het tuig valt ineens op als iets dat niet bruikbaar is. Naast dit opvallen is het zich opdringen van zaken die niet gebruikt kunnen worden, bijvoorbeeld omdat we een ander tuig missen. En er is het "opstandige" zijnde dat ons in de weg ligt bij ons bezorgen. Al deze modi van bezorgen laten een Zuhanden iets als in zekere zin Vorhanden opkomen.

Hoe helpt ons dit het fenomeen wereld te begrijpen? Alle Zuhandenes heeft een verwijzingsstructuur (we gebruiken X ten bate van Y), maar in het opvallen, opdringen en opstandig zijn is deze structuur gebroken, en daardoor wordt hij expliciet. De samenhang van het tuig wordt helder, en met die samenhang de wereld. Wat helder wordt is niet een Zuhandenes of een Vorhandenes, maar het "Da".

Maar normaliter valt het tuig dus juist niet op. Dat is essentieel: als het opvalt is het geen tuig. Volgens Heidegger hebben we op dit moment in het verhaal gezien dat In-der-Welt-sein "het onthematische, omzichtige opgaan in de voor de Zuhandenheid van het tuig-geheel constitutieve verwijzingen". Hij bedoelt daarmee, neem ik aan, dat dit de alledaagse (niet de "essentiële") vorm van In-der-Welt-sein is.

§17

Het tuig bestaat altijd in een systeem van verwijzingen. Heidegger gaat het nu hebben over verwijzingen en tekens. Tekens zijn een soort tuig: we gebruiken ze om dingen te doen. Tuig heeft altijd de (ontologische) verwijzingsstructuur van het "dienen tot". Wat is dan het specifieke (ontische) verwijzen van het teken?

Tekens laten een samenhang van Zuhandenes dusdanig toegankelijk worden, dat de bezorgende omgang zich erop kan oriënteren. Een teken is een tuig dat een tuig-geheel uitdrukkelijk maakt. Tuig valt normaliter niet op. Tekens zijn ervoor om tuig wel op te laten vallen -- zoals we in §16 gezien hebben verliets het daardoor iets van zijn tuig-karakter, en valt de samenhang op die anders niet op zou vallen.

§18

Zoals gezegd heeft het tuig, het Zuhandene, altijd een verwijzingsstructuur, zoals Heidegger hier zegt, "ein Bewandtnis mit ... bei ...". Dat is een ontologische claim. Als we de vraag trekken waartoe het tuig dient, komen we uiteindelijk altijd uit bij het Dasein, het zijn dat het om zijn zijn zelf gaat. Het is dit Dasein dat doordat het een ontologisch "waartoe" heeft, tuig als tuig kan laten zijn. Anders gezegd: Dasein ontdekt tuig omdat het altijd een omwille-van is. De structuur van vewijzingen en "Bewandtnis" die Dasein zo altijd al om zich heen heeft, is het fenomeen van de wereld.

Dus als ik het goed begrijp claimt Heidegger dat het vanwege het feit is dat het mij in mijn zijn altijd al om dat zijn gaat, dat er zoiets als een "omwille van" is, wat de ontologische grond is van het zijn van tuig, en daarmee van de structuur van verwijzingen die hij wereld noemt. Sluw! En er zit natuurlijk zeker iets in. Heidegger noemt dit de vertrouwdheid met betekenisvolheid ("Bedeutsamkeit", niet al te taalfilosofisch te begrijpen) van het Dasein; en deze vertrouwdheid is dus de mogelijkheidsvoorwaarde voor de ontdekbaarheid van dat zijnde, dat is als Zuhandenes.