Sophokles, "Ajax"

Een toneelstuk lezen is heel anders dan een ander soort boek lezen. Mij lukt het tot nog toe eigenlijk nooit om meteen bij de eerste lezing al van een toneelstuk te genieten. Ik moet het eerst een keer tot me nemen zodat ik de hoofdlijnen begrijp, en dan moet ik het nog een keer lezen, hardop of quasi-hardop, met de intonaties die een acteur zou gebruiken. Pas dan kan ik ervan gaan genieten.

Vandaag daarom tweemaal Ajax, of eigenlijk Aias (dat is een logischer vertaling), van Sophokles gelezen, in de engelse vertaling van E. F. Watling. Of ik er echt al optimaal van geniet is de vraag--en van een vertaling van een dichtwerk kan je waarschijnlijk nooit optimaal genieten--maar de tweede keer kon ik het zeker wel waarderen. Opnieuw zitten we voor Troje, opnieuw speelt Odysseus een belangrijke rol, maar ditmaal draait de actie om Aias. Dat was één van de grootste helden van de Grieken, maar hij kreeg ruzie met Odysseus om wie de wapenrusting van Achilles mocht hebben toen die was gestorven. De vorsten stemden, de meerderheid was voor Odysseus, en Aias werd buitengewoon kwaad. Dus kroop hij 's nacht met zijn zwaard door het kamp om alle grote vorsten, en dan met name Odysseus, Menelaos en Agamemnon, te doden. Maar Athene verblindde hem met waanzin, hij zag een kudde schapen en koeien aan voor zijn vijanden, en hij slachtte die kudde af. Een aantal dieren, waaronder een ram die hij aanzag voor Odysseus, voerde hij mee naar zijn tent om ze daar eens lekker te martelen.

Daar begint het stuk van Sophokles pas, die er--hoe prettig moet dat zijn voor een schrijver--vanuit kan gaan dat zijn hele publiek het verhaal al kent. De actie van het stuk is dan het volgende: Ajax komt langzaam weer bij zinnen, en begrijpt wat hij gedaan heeft. Door deze waanzinnige daad is hij al zijn eer kwijt; de andere Grieken zien hem liever dood dan levend; en Ajax wil zelf ook alleen nog maar dood. Zijn vrouw en vrienden proberen hem tegen te houden, maar hij weet ze te misleiden, en doodt zichzelf in een bos. Wanneer zijn lijk is gevonden ontbrandt er strijd om de vraag of het begraven mag worden of dat het aan de honden en gieren gevoerd dient te worden. Menelaos en Agamemnon zijn voor het laatste, en schoppen ruzie met de half-broer van Aias. Uiteindelijk zorgt Odysseus, eerst toch de vijand van Aias, ervoor dat er toch een begrafenis plaats vindt.

Aias en Odysseus zijn de interessantste personages uit het stuk. Aias heeft een aantal goede speeches, waarvan vooral de speech waarin hij doet alsof hij zichzelf toch niet van kant gaat maken indruk maakt. Odysseus is degene die het boeiendste standpunt vertegenwoordigt. Hij is niet, zoals Aias, een simpele representant van de schaamte-cultuur (hoewel wel eentje die uiterst hoogmoedig is); niet, zoals Menelaos en Agamemnon, een arrogante, wraakzuchtige blaaskaak; niet, zoals Tecmessa, een slavin-vrouw die simpelweg het beste met Aias voorheeft; en niet, zoals Teucer, een loyale broer. Odysseus haat Aias, is in het begin van het stuk naar hem op zoek; maar slooft zich aan het einde van het stuk uit om het toch te begraven, ook al heeft hij hem gehaat--haat en bewondering hoeven elkaar volgens hem niet uit te sluiten, en zij bewondering voor Aias is dusdanig dat hij zelfs Agamemnon wel wil trotseren.

Deze kant van Odysseus zien we al in de eerste acte. Athene heeft Odysseus de waanzin van Aias getoond, waarop deze zegt:

... He was my enemy, but I'm sorry
Now, with all my heart, for the misfortune
Which holds him in its deadly grip. This touches
My state as well as his. Are we not all,
All living things, mere phantoms, shadows of nothing?

Dat je dat wat slecht is voor je vijanden niet met gejuich onthaalt, en de saamhorigheid tussen al het leven die Odysseus hier affirmeert, dat zijn zaken waarmee de andere karakters uit het stuk niets kunnen; die denken allemaal in zwart en wit. Het lijkt me dan ook niet onterecht om Odysseus de held van het stuk te noemen, en degene door wie wij ons uiteindelijk moeten laten meevoeren. Het feit dat Aias, de andere held, hem ontzettend haat en dood wil, geeft het drama natuurlijk extra kracht.

Natuurlijk gaat er iets verloren wanneer je het pad van het medeleven bewandelt, een Nietzscheaanse vrijheid waarin je je eigen geluk niet laat bederven door het ongeluk van anderen. Dat verwoordt het koor mooi:

TECMESSA: Which would you choose,
If you had the choice; to enjoy a pleasure yourself
At the cost of another's pain, or both alike
To share the trouble?
CHORUS: I would say, my lady,
Two troubles must be worse than one.

Troubles zijn er genoeg voor Aias; zoveel dat hij uitroept: "I have no hope of mercy from the gods, I am not worthy to ask help of any man." Nu hij eenmaal op uiterst eerloze wijze zijn verstand heeft verloren en een kudde schapen en de bijbehorende herders heeft afgeslacht--en iedereen weet ook hoe dat kwam, en wat hij eigenlijk wilde doen--nu dat allemaal gebeurt is heeft het voor Aias niet veel zin meer om te leven. Immers:

AIAS: ... Honour in life,
Or honour in death; there is no other thing
a nobleman can ask for. That is all.

Zijn vrouw/slavin probeert hem nog op andere gedachten te brengen qua eer en "nobility" ("Love must breed love. Not to remember kindness is to be called no longer noble."), maar hij trapt er niet in ("Dirges and canticles are no prescription for ills that need the knife."). Interessant aan Aias is nu dat hij (a) in het verleden kennelijk vaak de goden heeft geschoffeerd, (b) weet dat Pallas Athene zijn plannen heeft doen mislukken, hem dood wil, en dat hij dus kansloos is, en (c) hij de conclusie trekt dat als de goden hem niet gunstig gezind zijn, hij hun ook niets verschuldigd is.

TECMESSA: O for the gods' sake, for your own son's sake
Do not desert us!
AIAS: I cannot listen to you.
Do you believe I still owe any duty
Or service to the gods?

Deze woordenwisseling eindigt met de krachtige en dramatisch briljante woorden "You're a fool, Tecmessa, to think that I could change my nature now on your instructions." Niet alleen toont het Aias in zijn starheid, de starheid die alleen Odysseus ontbeert, waardoor hij onze held wordt; maar het is bovendien zo goed omdat Aias in de volgende scene net doet alsof hij zijn natuur veranderd heeft door haar smeekbede, en zij hem gelooft--een dwaasheid waar hij haar dus zelf tegen gewaarschuwd had!

De speech waarin Aias deze verandering beschrijft is erg goed. Hij begint te vertellen dat de tijd alles kan veranderen; en dan beschrijft hij hoe hij zelf veranderd is. Hij zal zichzelf gaan wassen en zijn zwaard begraven; hij zal hetn goed maken met de goden. Hij heeft nu geleerd om de goden te respecteren, en hij ziet in dat hij de leiders van het leger had moeten gehoorzamen. Tegen het einde van de speech komt hij op vriendschap, en dan nemen zijn gedachte de vrije loop, waardoor hij bijna verraadt wat zijn echte denkbeelden zijn:

I now know this, that while I hate my enemy
I must remember that the time may come
When he will be my friend; as, loving my friend
And doing him service, I shall not forget
That he one day may be my enemy.
Friendship is but a treacherous anchorage,
As most men know... Well, never mind...

Waarop hij snel op iets anders over gaat. Wat dit extra mooi maakt is dat het nog maar enkele scenes duurt voordat de vijand van Aias inderdaad zijn vriend blijkt--maar voor Aias is het dan ondertussen al te laat, want hij heeft zijn eigen boodschap niet geloofd. Niemand gelooft dat trouwens, het koor denkt althans zo over Odysseus:

CHORUS: The 'much-enduring man'
Will laugh to his black heart's content
Over this tragic tale of madness.

Maar niets is dus minder waar. Nadat de vervelende Menelaos en de nog vervelender Agamemnon langs zijn geweest, overreedt Odysseus de laatste in een gesprek dat zijn climax bereikt in de volgende woorden:

ODYSSEUS: He was my enemy,
but he was noble.
AGAMEMNON: Are you mad? Your enemy,
And dead, and you revere him?
ODYSSEUS: Yes; his goodness
Outweighs his enmity by far.

Dat is mooi, en treft extra omdat we weten dat Odysseus het meent en omdat we weten dat Aias nooit hetzelfde had gedaan voor Odysseus.