De trouwe lezer zal zich herinneren dat ik niet erg te spreken was over een poging tot non-fictie van Harry Mulisch. Welnu, deze poging tot non-fictie van Hermans is ook niet erg geslaagd. Hoewel, niet geslaagd: dat impliceert dat ik zou weten wat het criterium voor succes voor dit werk is, en dat is nu juist één van de dingen die mij niet helder zijn. Is het bedoeld als exegese van het werk van Wittgenstein? Daarvoor wordt hij te weinig en te weinig systematisch geciteerd. Is het bedoeld als inleiding op zijn denken? Bepaalde passages lijken dit te bevestigen, maar Hermans gaat vaak met zulke grote sprongen en zo wild in het rond dat volgens mij niemand uit dit boekje kan leren wat Wittgenstein heeft gedacht. Is het bedoeld als polemiek tegen Hubbeling en Van Peursen? Wie weet, maar slechts een klein deel van het boek gaat op hen in. (Wel verfoeit Hermans voortdurend de Nederlandse wijsbegeerte en theologie, de academie, en de school-filosofie, maar aangezien hij nooit concreet wordt heb ik geen flauw benul wie dan wel niet het mikpunt van zijn spot is, en of deze spot terecht is. Zo had ik graag de namen gehoord van al die mystici die volgens Hermans abusievelijk denken dat Carnaps meta-talen het Wereldraadsel kunnen ontsluiten.) Het boekje lijkt een mengelmoes van alle drie die alleen door mensen die al met Wittgenstein bekend zijn begrepen kan worden.
De meeste dingen die Hermans ons vertelt over de geschiedenis van de filosofie, de context van Wittgenstein en de claims van Wittgenstein zelf kloppen wel. Soms gaat hij kennelijk de fout in door onwetendheid, zoals wanneer hij van Mach vertelt dat deze er reeds op had gewezen dat de absolute ruimte niet waarneembaar is, en dat hij het 'Ding an sich' loochende. Op zich waar, maar het eerste deed Leibniz al, en het tweede was ten tijde van Hegel reeds door iedereen geaccepteerd. Wat Hermans schrijft schept hierover verwarring. Verwarring ontstaat ook als hij schrijft:
Wat de logica zelf dan wel is, kan zijzelf niet uitdrukken, omdat de klasse van alle klassen zichzelf als klasse niet bevatten kan. (p. 21.)
Ten eerste haalt hij "klasse" en "verzameling" door elkaar; en ten tweede, dit is toch helemaal niet het argument van Wittgenstein? Als we de axioma's van de verzamelingenleer dusdanig wijzigen dat zichzelf bevattende verzamelingen wel mogen, dan is het Wittgensteiniaanse onderscheid tussen zeggen en tonen toch niet opgeheven? Volgens mij heeft Hermans het hier niet helemaal goed begrepen.
Maar helemaal bont maakt Hermans het door te beweren dat onze natuurkennis de vorm heeft van tautologieën. Hij schrijft bijvoorbeeld:
De wet van Boyle behelst, dat als ik een bepaalde hoeveelheid van een gas heb, het produkt van volume en druk constant is. De kinetische verklaring van dit verschijnsel brengt aan het licht dat deze wet een soortgelijke regel vormt als bijvoorbeeld de bewering: Een vat van een kubieke meter inhoud, kan duizend liter water bevatten. Met andere woorden, het is een tautologie. (pp. 24-25.)
Het is natuurlijk mogelijk te beweren dat de natuurwetten conventies zijn, zoals Poincaré deed. Maar dan moet je in dit geval toch in ieder geval vermelden dat het om een definitie van de term "ideaal gas" zou gaan, iets wat Hermans nalaat. Bovendien is dit volgens mij helemaal niet de positie van Wittgenstein? En wat zeker niet de positie van Wittgenstein is, en zelfs totaal absurd, is wat Hermans hier later van maakt:
Goed, alle waarheden ontwikkelen zich tautologisch uit andere waarheden. Goed, er wordt dus feitelijk nooit iets nieuws ontdekt. (p. 64.)
Goed? Helemaal niet goed! Hoe kan je dit nu geloven? En hoe kan je dit aan Wittgenstein toeschrijven? Misschien aan bepaalde holistische metafysici van een Leibniziaanse of Hegeliaanse snit, maar aan Wittgenstein? Ik krijg opnieuw het idee dat Hermans enkele fundamentele inzichten heeft gemist.
Dat gevoel overheerst ook bij de polemiek die Hermans voert tegen alle soorten filosofie die niet logisch-positivistisch zijn: Hegel, Schopenhauer, Heidegger, existentialisme, enzovoorts. Eerst krijgen we het volgende te horen over de taalfilosofie van de latere Wittgenstein:
Kort samengevat en misschien te populair geformuleerd: de wereld is een grote Babylonische spraakverwarring, waar alleen de exacte wetenschappen in zekere mate aan ontsnappen. (p. 53.)
Dat is mij niet te populair, maar gewoon te onjuist. Alsof Wittgenstein met het idee van taalspelen komt om een onderscheid te maken tussen de exacte wetenschap en andere manieren van praten? Alsof de latere Wittgenstein niet juist een ontkenning is van de claims van de eerdere Wittgenstein dat alleen exacte wetenschap iets zinvols kan zeggen?
En als klap op de vuurpijl krijgen we dan dit:
Zelfs wil Hubbeling een overeenkomst ontdekken tussen Wittgenstein en Heidegger, alsof het taaleigen van de laatste niet al in 1931 door Wittgenstein's volgeling Rudolf Carnap in zijn bijna volledige zinloosheid ten toon gesteld was, zonder dat Wittgenstein daar ooit tegen geprotesteerd heeft. (p. 53.)
Beste Hermans, waarom zou Wittgenstein protesteren tegen de claim dat Heideggers filosofie zinloos is, gegeven dat hij in de beroemde en door jou zelf geciteerde laatste zinnen van de Tractatus beweert dat elke filosofie, ook zijn eigen, zinloos is? Je kan toch niet tegelijkertijd Wittgenstein roemen en Heidegger afserveren omdat zijn uitspraken zinloos zijn? Zelfs als je niet met de late Wittgenstein mee wil gaan, en Tractariaans wil blijven denken, dan ligt de mogelijkheid toch wijd open dat het denken van Heidegger iets toont dat van belang is? Sterker nog, dat zal Heidegger zelf waarschijnlijk in bijna die woorden beamen. En wat geldt voor de filosofie van Heidegger, geldt voor al die filosofen die jij (tot grote verveling van de lezer) in steeds drie zinnen hebt samengevat in die treurigstemmende paragraaf "de schoolfilosofen": juist het denken van Wittgenstein laat de mogelijkheid open dat deze werken belangrijk zijn ook als ze niet waar zijn.
De enig mogelijke conclusie is dat Hermans van Wittgenstein werkelijk niets heeft begrepen. Dit boekje had beter niet geschreven kunnen worden.