William Shakespeare, "Henry IV, Part One"

De stukken van Shakespeare worden traditioneel in een aantal categorieën opgedeeld: de tragedies (Hamlet, King Lear), de komedies (The Merchant of Venice, As You Like It), de late romances (The Tempest, The Winter's Tale), de "problem plays" (Measure for Measure, Troilus and Cressida), en de "histories" (Richard II, Henry V). Dat geeft misschien het idee dat het hier om totaal verschillende genres gaat, maar dat is zeker niet het geval. Zo bevatten de tragedies vrijwel allemaal komische scenes, en zijn de "problem plays" een soort cynische tragikomedies. Maar er was toch de vraag, nu ik mijn eerste "history" ging lezen, of dat wel net zo geniaal kon zijn als een tragedie. Jazeker, en sterker nog, veel verschil tussen deze categorieën (die natuurlijk ook niet van Shakespeare zelf stammen) is er niet te ontdekken. Ook Henry IV, Part One bevat die mengeling van tragiek en humor, en van plicht en vrijheid, die zo typisch Shakespeare is; en bovendien is Shakespeare in het stuk voor zover ik kan zien niet dichter bij de geschiedenis gebleven dan in Julius Caesar of Anthony and Cleopatra.

Het plot van 1 Henry IV (om die prachtige notatie over te nemen) draait om een opstand van noordelijke en westelijke rebellen tegen koning Henry IV. Toch is de uitkomst van deze rebellie niet waar het Shakespeare om gaat -- dat het hiermee niet goed af kan lopen is niet alleen al vanaf het begin duidelijk, het is bovendien iets waar wij niet om malen. In Julius Caesar weten we ook dat Brutus niet zal winnen, maar we willen wel dat hij wint, of in ieder geval willen we onder andere dat hij wint (misschien willen we ook dat hij verliest). Minstens willen we niet dat hij sterft. Of Hotspur en Douglas, de rebellenleiders uit 1 Henry IV, winnen of verliezen wanneer ze strijden tegen de koning, en zelfs of ze sterven of niet, dat laat ons grotendeels koud. (Zelfs de dood van Hotspur? Niet helemaal, maar echt raken doet het ons niet. Why, man, he did make love to that employment.) Het conflict gaat nergens over. Henry IV zelf ziet dit scherp in, wanneer hij opmerkt dat de rebellenleiders slechts redenen en rechtvaardigheden bijeen geharkt hebben

To face the garment of rebellion
With some fine colour that may please the eye
Of fickle changelings and poor discontents[.] (V.1.74-76)

Tegelijkertijd heeft hij zelf boter op zijn hoofd, want hij heeft zijn troon op even onrechtmatige en gluiperige wijze verkregen. De ene groep gluiperds, meelopers en heethoofden of de andere groep gluipers, meelopers en heethoofden, dat is ons natuurlijk om het even. Of, om het anders te zeggen: de troon interesseert ons niet.

Nee, waar het Shakespeare om gaat zijn kleinere verhalen. Het gaat om Hotspur, en of hij zijn jeugdige dwaasheid op tijd kan overwinnen om niet geheel ten val te komen. Sterke scènes hier zijn die met zijn vrouw Kate, het moment dat hij eindelijk wijsheid lijkt te gaan tonen en dan door een aantal van zijn kompanen quasi-verraden wordt zodat het er nooit van komt, en natuurlijk die vroege scène waarin hij uitroept:

By heaven, methinks it were an easy leap
To pluck bright honour from the pale-faced moon,
Or dive into the bottom of the deep,
Where fathom-line could never touch the ground,
And pluck up drowned honour by the locks. (I.3.199-203)

waar de pijnlijk slechte metaforen ons tegelijkertijd de moed, het enthousiasme en de onbezonnen jeugdigheid van Hotspur duidelijk maken. We schudden ons hoofd, vragen ons af hoe dit af moet lopen, en voelen sympathie voor hem. Niet, overigens, voor zijn nare familie, die in feite bruutweg misbruik van hem maakt (al zien ze dat zelf misschien anders).

Waar het ook om gaat is de relatie tussen prins Hal en zijn vader Henry IV, en de vraag of de prins op kan klimmen tot het ideaal dat aan hem gesteld wordt. En waar het ongetwijfeld vooral om gaat, en dan zeker on, is om de relatie tussen de prins en zijn drinkebroer, Sir John Falstaff, om het doorgronden van die relatie, om het doorgronden van Falstaff zelf, om het zien hoe die relatie zich ontwikkelt terwijl Hal evolueert naar de latere Henry V -- hoewel de daar in dit toneelstuk nog niet bij uit zullen komen. (Het vervolg heb ik nog niet gelezen, maar dat het met de relatie tussen Hal en Falstaff niet goed afloopt, dat is me wel helder. The rejection of Falstaff, heet een van de essays van Bradley.)

Shakespeare werkt met twee (eigenlijk drie, want we zien ook een paar keer de echte onderklasse) maatschappelijke lagen in dit stuk: aan de ene kant de wereld van Falstaff, Poins, en hun companen, een wereld van wijn, kroegen, en berovingen; aan de andere kant de wereld van Henry IV, Hotspur, en hun volgelingen, een wereld van ridders en veldslagen. Prins Hal heeft zich tot nog toe vooral in die eerste wereld bewogen, maar gaat in de loop van het stuk steeds meer naar de tweede wereld toe -- een verandering die Hal en Henry IV beide zien als een overgang van het lage naar het hoge, van het slechte naar het goede. Dat geldt ongetwijfeld niet voor de sluwe lezer, die in de roversavonturen een wel erg duidelijke parallel ziet met de strijd om het koninkrijk. Hal, die onrechtmatig een hoop goud rooft en daarbij Falstaff (zij het als een soort grap) zijn prijs ontneemt, wat is die anders aan het doen dan aan het oefenen om precies zo te worden als zijn vader, die het koninkrijk geroofd heeft en nu de familie Percy niet langer in die prijs wil laten delen? Dan valt het roven van wat goud om daar goed van te kunnen zuipen ongetwijfeld te verkiezen boven het roven van een koninkrijk, met veel dodelijke veldslagen, om... ja, om wat eigenlijk? En bovendien hebben die rovers tenminste nog humor, terwijl de grote heren alleen hun eer hebben.

Laten we die sequentie van scènes eens analyseren waarin Hal en Poins hun grap met Falstaff uitvoeren. Op zich is het idee niet onaardig: ze zullen zelf in vermomming Falstaff en kornuiten beroven nadat deze hun slag geslagen hebben; en dan gaan ze genieten van de ongelooflijke leugens die Falstaff later daarover zal opdissen. De grap heeft echter een minder plezierige kant. Ten eerste zullen ze Falstaff zijn paard ontnemen en hem urenlang laten lopen, wat tot groot fysiek ongemak moet leiden; en ten tweede zijn ze van plan hem nog maandenlang uit te lachen omdat ze zijn leugens weerlegd hebben. Is dat nog humor? En is het nog humor als je weet dat Falstaff zijn verhaal zo dik gaat neerzetten dat hem hemzelf evident niet om geloofwaardigheid te doen is? Het is duidelijk dat deze practical joke wel eens pijnlijk af zou kunnen lopen, dat degene op wie hij wordt uitgevoerd wel eens beledigd zou kunnen zijn... en dat Hal pijnlijke grappen niet schuwt (en wellicht hun pijnlijkheid niet inziet?) was voor de lezer al helder uit de grollen die hij met Francis uithaalt.

Alleen is dat natuurlijk buiten Falstaff gerekend, die met een briljant gemak de grappenmakers te slim af is, en er zelf een nog veel betere grap van maakt. Niet alleen is dit een mooi moment omdat Falstaff zich zo gemakkelijk uit de nesten werkt; maar vooral omdat hij bovendien voorkomt dat de grap van Hal de wrede uitwerking heeft die hij had kunnen hebben. Falstaff redt zichzelf, maar nog veel meer redt hij Hal; de acties van Hal worden door Falstaff gerechtvaardigd. Wanneer deze erop terug probeert te komen en zijn oorspronkelijke plan wil doorzetten zegt Falstaff:

Ah, no more of that Hal, an thou lovest me. (II.4.276)

en het is niet zichzelf die hij in bescherming neemt, maar zijn vriendschap met Hal.

Die vriendschap, zo moeten we vooropstellen, is echt. Falstaff houdt van Hal, en is bereid van alles en nog wat te verduren -- en Fallstaff kan heel veel verduren zonder dat het hem pijn doet. Precies om die reden, wellicht, voelt Hal zich tot Falstaff aangetrokken: hij kan de wreedheid die hij als koning moet hebben op hem oefenen, zonder dat het werkelijk wreedheid is. Falstaff kan hij naar believen uitschelden om zijn dikheid, want Falstaff weet toch wel iets terug te zeggen; hij kan hem voor het blok zetten, want Falstaff weet zich er toch wel uit te redden; enzovoorts. Daarnaast moeten we ook geloven dat Hal het werkelijk stimulerend vindt om in de omgeving van Falstaff te zijn, zeker van hem gehouden heeft, en in bepaalde mate nog steeds van hem houdt. Duidelijk is dat de verwijdering allang (en eenzijdig) aan het plaatsvinden is, maar Hal beschermt Falstaff nog steeds, bijvoorbeeld tegen de sheriff.

De liefde van de prins, daar is het Falstaff goeddeels om te doen, en dat toch slechts gedeeltelijk vanwege de grote voordelen die daaraan verbonden zijn. Die voordelen spelen, denk ik, mee. We moeten Falstaff niet idealiseren. Hij is een dronkenlap en een rover, hij vindt het niet erg om anderen te bestelen als hij maar aan zijn zoete wijn komt, en dat de prins rijk is is vast één van de redenen dat hij met hem is opgetrokken. Maar het is allang niet meer de enige reden, waarschijnlijk zelfs niet de voornaamste. Er zit een ware pathos in de speech die Falstaff in hun rollenspel maakt als hij zichzelf verdedigt:

No, my good lord! Banish Peto, banish Bardolph, banish Poins -- but for sweet Jack Falstaff, kind Jack Falstaff, true Jack Falstaff, valiant Jack Falstaff -- and therefore more valiant, being as he is old Jack Falstaff -- banish not him thy Harry's company, banish not him thy Harry's company. Banish plump Jack, and banish all the world. (II.4.460-465)

En het is niet alleen de angst (de zekerheid?) dat hij Hal kwijt zal raken; het is ook de angst dat Hal inderdaad, wanneer hij het ethos van de eer omarmt, de wereld zal verliezen. Die angst is niet ongegrond. Als er iemand van het leven en de wereld vervreemd is geraakt, dan is het Henry IV. De wereld verliezen, dat is in eerste instantie de humor van Falstaff verliezen -- zoals Hal die inderdaad verliest wanneer Falstaff een zak wijn in plaats van een pistool bij zich blijkt te hebben op het slagveld. Nu kan je zeggen: maar het slagveld is toch ook geen plaats voor grappen! Waarop het antwoord is: precies. Dat is het punt. Wat is de wereld? Sterven op het veld van eer, of genieten van zoete wijn en scherpe kout?

Wil ik nog het mini-gesprekje citeren dat leidt tot de beste zin van het stuk:

FALSTAFF: Hal, if thou see me down in the battle and bestride me, so. 'Tis a point of friendship.
PRINCE HAL: Nothing but a Colossus can do thee that friendship. Say thy prayers, and farewell.
FALSTAFF: I would 'twere bed-time, Hal, and all well. (V.1.121-125)

Geweldig. De speech die volgt over eer is mooi, maar in deze zin is alles al vervat. Typisch zo'n menselijk moment in Shakespeare waarin alles in perspectief wordt gezet en verbonden wordt met onze dagelijke ervaring.

Meer moet denk ik wachten tot ik 2 Henry IV gelezen heb, maar die heb ik op dit moment helaas niet in mijn bezit. (Ja, in zo'n Complete Shakespeare, waar je niets aan hebt tenzij je de stukken eerst met goede annotaties hebt gelezen. En als ik zeg goede, dan bedoel ik goede: Arden, Oxford, new Penguin. Koop niet die budget-uitgaven waar je tien pagina's noten hebt op een stuk van honderd pagina's! Dat is te weinig.)