Omdat Alec en Krijn twee uur bezig waren bij Heemlanden, ging ik naar het huis van mijn ouders. Die waren er niet — ze waren bij Boukje, en kwamen pas vijf minuten voordat ik weer weg moest terug — maar het is natuurlijk lekkerder om bij mijn ouders thuis te zitten dan in een of ander café in het winkelcentrum van Houten. Al vind ik die Quooker die mijn ouders hebben wel levensgevaarlijk: elke keer als ik een kop thee zet ben ik bang dat ik met brandwonden het ziekenhuis in zal gaan!
Terwijl ik door het park richting mijn ouders liep, overviel me ineens de gedachte dat het fijn zou zijn om in Houten te wonen. De omgeving wekte allerlei mooie gevoelens in mij op, van vertrouwdheid en geluk, natuurlijk niet omdat het zo’n ideale plaats is, maar omdat het me doet denken aan mijn jeugd.
Maar zulke gevoelens zijn er vooral, vermoed ik, als je maar af en toe komt — niet als je er woont en het de dagelijkse realiteit is. En zoals Schopenhauer ergens schrijft, ik citeer uit mijn herinnering: ‘We verlangen naar de plaatsen waar we zijn opgegroeid, maar als we er dan komen, vallen ze tegen. Dat komt omdat we eigenlijk niet die plaatsen verlangden, maar naar de tijd die we er hebben doorgebracht. Maar die tijd komt nooit meer terug.’
In het boek dat ik nu aan het lezen ben, van Frédéric Beigbeder, vertelt hij dat hij probeerde jong te blijven door in dezelfde wijk van Parijs te blijven wonen als zijn ouders. ‘Maar ik bleef niet jong. Ik was alleen geostationair.’
Misschien moet je het de parken van je jeugd niet aan willen doen om niets anders te worden dan de snelste route van je huis naar de supermarkt. Of misschien moet je leren om net zo onbevangen door elk park te fietsen als je vroeger deed, toen je acht was, en Houten voelde als een hele wereld.